Daar staan ze, de letters DNF, achter zíjn naam. Did Not Finish. De 23-jarige Menno Koolhaas heeft er eerlijk gezegd een pokkenhekel aan. En het was hem nooit overkomen ook. Tot die ene race in Nieuw-Zeeland, afgelopen maart.

Koolhaas deed mee aan de ITU World Cup in New Plymouth. Een sprint, met 750 meter zwemmen, 20 kilometer fietsen en 5 kilometer lopen. Koolhaas had volgens eigen zeggen niet al te best gezwommen, waardoor hij de aansluiting met de tweede fietsgroep miste. Na hooguit twee kilometer trappen knapte er iets in zijn hoofd. Koolhaas wilde niet verder racen. Hij kneep in zijn remmen, wierp de chip van zich af, keerde om en reed langzaam terug naar het start-/finishgebied.

Killer instinct

Toegegeven, hij was de ochtend voor de start al niet zo lekker. Buikpijn. Maar hij voelde zich vooral mentaal gebroken. Of hij moest huilen? Koolhaas denkt even na over de vraag. Dan: “Ik was emotioneel. En nog steeds kan ik balen van dat moment. Uitstappen past zo niet bij mij. En toch gebeurde het. Twee weken eerder ging het ook al klote, bij de World Cup in Australië. Ik zat goed in de wedstrijd, maar tijdens het lopen sloeg ik volledig dicht. Geen ritme, geen controle over mijn ademhaling. Ik werd 47e. Dan ben je veldvulling. En ik wíl geen veldvulling zijn.”

“Ik heb in het verleden al een paar keer laten zien dat ik mee kan draaien in de top 20, maar dat gaat nu niet. Mijn lijf wil wel, maar mijn hoofd zegt even nee. Daarom heb ik ervoor gekozen om de internationale wedstrijden voorlopig te laten schieten. Heel gek, maar soms kan ik tijdens een race al evalueren waarom het bij het zwemmen of fietsen misging. En dan kom je in een negatieve spiraal terecht. Noem het piekeren. Terwijl ik op zo’n moment eigenlijk tegen mezelf moet zeggen: verdomme Menno, vergeet het even, ga dóór, zet die knop om, herpak jezelf, dat evalueren komt later wel. Dat killer instinct moet weer terug. En het komt terug.”

Gemoedelijkheid

Het is zondag 26 mei, Koolhaas drinkt een Coca-Cola Zero onder een grote boom bij de Sloterplas. Met grote overmacht heeft hij zojuist de olympische afstand van de veertiende editie van de Stadstriathlon Amsterdam Nieuw-West op zijn naam geschreven. Een evenement waar hij goede herinneringen aan bewaart: als klein kind stond hij langs de kant om zijn vader aan te moedigen, in 2016 werd hij op deze plek Nederlands kampioen op de olympische afstand. “Weet je wat ik zo gaaf vind aan deze wedstrijd? De gemoedelijkheid. Niemand is opgefokt, iedereen is relaxed. Mensen van de organisatie, maar ook de deelnemers. Heel anders dan bij een World Cup, waarbij alles zo ongelooflijk strak is geregeld. Het is fijn om weer eens aan zo’n laagdrempelige wedstrijd mee te doen. En winnen voelt fijn, wat dacht je.”

“Als je me twee maanden geleden had gesproken, had je een andere Menno tegenover je gehad. Ik voel me nu een stuk beter.”

Wat opvalt: Koolhaas praat met opgeheven hoofd en zonder te haperen. Hij weet dondersgoed waar hij het over heeft. Zijn lijf oogt sterk, zijn ogen staan op vrolijk. Lachend: “Als je me twee maanden geleden had gesproken, had je een andere Menno tegenover je gehad. Ik voel me nu een stuk beter.” Koolhaas vertelt over de sessies met een sportpsycholoog. Hij vertelt over het vertrek bij zijn team Squadra en zijn nieuwe sponsor, hij vertelt over zijn ouders. Na het debacle in Nieuw-Zeeland toog Koolhaas niet naar zijn appartement in Sittard, maar koos er voor om twee weken bij zijn vader en moeder in Amstelveen te zitten. Twee weken lang heeft hij niets gedaan. Althans, hij heeft niet gezwommen, gefietst en gelopen. Het was een juiste beslissing.

Triathlon ademen

Op de vraag of hij de triathlonsport in die weken heeft vervloekt, antwoord hij echter resoluut: “Nee!” Vooropgesteld: de sfeer tijdens internationale wedstrijden ligt hem wel. “Het is een rondreizend circus, ik voel me er in thuis. Ik vind het gaaf om me met de beste triatleten van de wereld te meten. Het kan er hard aan toe gaan, tijdens zo’n World Cup. Neem het zwemmen. Bij die eerste boei is het altijd één groot gevecht. Dat is serieuze shit, met harde klappen. Iedereen wil voorin blijven, iedereen wil winnen. Na afloop geven we elkaar gewoon een hand en zeggen we tegen elkaar: goed gedaan. Ik ga er echt alles aan doen om weer terug te keren in dat circuit. Misschien al dit najaar, wie weet.”

Koolhaas ademt triathlon. Hij staat er mee op, hij gaat er mee naar bed. Hij vindt het machtig om in het water te liggen, de power in zijn armen te voelen. Als zwemmen goed gaat, voelt dat als glijden. De meeste trainingsuren zit hij op de fiets. Meestal lang en rustig, soms snoeihard. Pure snelheid is mooi, glundert Koolhaas. En dan lopen, misschien wel zijn sterkste onderdeel. Lopen heeft soms zelfs iets magisch. Het is de combinatie van techniek, brute kracht en pijn, echte pijn. Die pijn hoort erbij, weet Koolhaas.

Menno Plus

Menno Plus, zo luidt zijn bijnaam. De triatleet staat bekend als een trainingsbeest. Nooit slaat hij een training over. Wanneer hij een duurrit van drie uur heeft staan, maakt hij er drie uur en tien minuten van. Ja, mogelijk was hij ietwat overtraind en oververmoeid. Je hoeft het hem niet te zeggen: hij weet het als geen ander. Koolhaas traint 25 à 30 uur per week. Hij moet leren af te remmen. Sinds zijn zeventiende woont hij in Sittard, dichtbij het Nationaal Triathlon Trainingscentrum (NTC) op Watersley. Aanvankelijk woonde hij met andere triatleten in een huis op de sport- en talentencampus, maar sinds een tijdje beschikt hij over een eigen appartement in de stad.

“De kans dat ik – net als mijn vader – banketbakker wordt, is niet zo groot. Ik vind de triathlonsport zo verschrikkelijk gaaf, dat ik me daar op wil richten. Natuurlijk moet er iets veranderen in mijn hoofd. Dáár ligt de focus.”

Zijn sociale leven speelt zich grotendeels af in de triathlonwereld. Hij vindt het leuk om met andere triatleten van het NTC een terrasje te pakken. Hij trekt graag op met Marco van der Stel, Quinty Schoens, Lars van der Knaap en Youri Keulen. Koolhaas vindt het mooi om aan zijn fiets te sleutelen, verder kijkt hij graag Netflix-series. Bovendien is hij een sportjunkie. “Formule 1, een wielerkoers, een tennistoernooi of voetbalwedstrijd: ik weet precies wat er komend weekeinde op het programma staat. Ik houd van alle sporten.”

Als je hem vraagt naar een maatschappelijke carrière, schudt hij zijn hoofd. Oké, hij heeft vmbo-t afgerond, hij heeft een ‘beginnersdiploma om bakker te worden’, zoals hij het zelf noemt. “De kans dat ik – net als mijn vader – banketbakker wordt, is niet zo groot. Dan had ik de bakkersopleiding op mbo-niveau moeten doen, maar daar is het niet van gekomen. Als kind hielp ik mee op zaterdagen. Het is een mooi vak, maar niet voor mij. Ik wil er ook niet over nadenken. Als ik dat doe, geef ik er misschien aan toe. Ik vind de triathlonsport zo verschrikkelijk gaaf, dat ik me daar op wil richten. Natuurlijk moet er iets veranderen in mijn hoofd. Dáár ligt de focus. Ik ga meer wedstrijden doen zoals deze in Amsterdam. Ik doe mee aan de halve van Nieuwkoop. Ik wil wel eens ervaren hoe dat is, zo’n lange afstand. Daarom train ik de laatste tijd best veel met Bas Diederen, met hem kan ik ook fijn praten.”

Leren van Murray

Onlangs maakte de banketbakkerszoon bekend dat hij triathlonteam Squadra na vijf jaar verlaat. Squadra draait al jaren mee aan de Nederlandse top en werd meerdere malen kampioen van de eredivisie (2015, 2017 en 2018). Koolhaas heeft er een goede periode gehad, met mooie resultaten, maar heeft besloten om op eigen benen verder te willen gaan. “Ik ben toe aan iets nieuws. Met Isaac heb ik een nieuwe sponsor waar ik heel blij mee ben. Verschillende teams hebben me gevraagd om bij hun te komen, maar ik heb nee gezegd. Behalve tegen Oceanus in Aalsmeer, de club waar voor mij alles begon. Oceanus komt ook uit in de eredivisie en ik ga zeker starten.”

Koolhaas blijft verbonden aan het NTC in Sittard. Dat er bij de Nederlandse ploeg soms ook internationale triatleten als Richard Murray of de broers Dmitry en Igor Polyanskiy meetrainen, ziet hij als een groot pluspunt. ‘Samen trainen, samen sterker’, aldus Koolhaas. “Het zijn niet alleen hele goede triatleten, maar ook aardige gasten. Neem Richard Murray, een wereldtopper. Hij heeft twee keer aan de Olympische Spelen meegedaan. Laatst logeerde hij twee weken bij mij in Sittard, dat was leuk. En binnenkort komt hij weer een week. Ik leer heel veel van hem. Ik maak me te snel te druk, maar Murray blijft altijd vrij relaxed. Dat is een eigenschap die ik goed kan gebruiken.”

Een herstartjaar

Koolhaas weet dat triathlon geen sport is waar je rijk van wordt. Hij kan zich vooralsnog prima redden, mede dankzij zijn ouders. “Mijn vader en moeder zijn echt heel erg belangrijk voor mij. Laat ik er dit over zeggen: triathlon is geen makkelijke sport. Ik weet heel erg goed dat ik niet nog twee jaar op deze voet kan doorgaan, maar dat was ik ook niet van plan. Wat ik eerder zei: ik heb laten zien dat ik in de top 20 van internationale wedstrijden kan eindigen. Ik wil weer terug, niets liever dan dat. Ik houd zo verschrikkelijk veel van deze sport. Met mijn sportpsycholoog heb ik het veel over die negatieve spiraal tijdens wedstrijden gehad. Dat ik tijdens een race al begin te evalueren. Daar moet ik echt vanaf. Het plezier is nog steeds net zo groot als een paar jaar geleden, maar dat killerinstinct moet terug. Ik beschouw dit jaar als een herstartjaar. Ik kom terug, maar niet als veldvulling.”

Door de ogen van....

De coach:
“Het zou mooi zijn als Menno zijn onbevangenheid weer terugkrijgt”, zegt trainer/coach Jordi Meulenberg van het Nationaal Topsport Centrum Triathlon (NTC) in Sittard. “Ik ken Menno al vanaf het moment dat hij hier als 17-jarige jongen binnenkwam. Een makkelijke en onbevangen jongen. Wat ik heb gemerkt, is dat hij de lat steeds hoger heeft gelegd. Hij legde zichzelf een bepaalde druk op. In 2016 pakte hij de derde plaats in de ETU-cupwedstrijd in Weert. Dat werd de standaard. Alles wat minder was dan Weert, was niet goed genoeg.” Meulenberg weet als geen ander dat Menno een trainingsbeest is, dat hij niet voor niks de bijnaam Menno Plus heeft. “Een beetje minder kan geen kwaad”, aldus de trainer/coach. Meulenberg mag Koolhaas graag. “Hij is een leuke vent, iemand die je er heel goed bij kan hebben. We praten best veel, ook over waarom het nu iets minder gaat. Het hoort erbij. Menno loopt al een tijdje mee, terwijl hij pas 23 jaar is hè, vergeet dat niet. Ik vind dat Menno er heel volwassen mee omgaat. Hij is een sterke atleet, iemand die er vol voor gaat. Zijn droom is nog steeds om mee te doen aan de Olympische Spelen. We geven hem de tijd en de ruimte om er sterker uit te komen. Het is een proces met vallen en opstaan. De meeste triatleten bereiken hun top als ze 27 of 28 jaar zijn, wat dat betreft is er nog niks verloren.



Vader Johan:
Vader Johan en moeder Monique runnen Koolhaas Banket & IJs in Amstelveen. Menno heeft de liefde voor triathlon niet van een vreemde: zijn vader is een fanatieke recreant. Menno maakte op zijn negende al kennis met de sport. Op zijn veertiende werd hij voor het eerst Nederlands kampioen. Op zijn zeventiende besloot hij vol voor de sport te gaan. Hij verhuisde naar Sittard. Trots is hij op de Nederlandse titel OD in 2016, maar ook aan de 18e plek tijdens de World Cup in Kaapstad en een podiumplek tijdens de ETU cup in Weert (2016) bewaart hij goede herinneringen.

Menno is een trainingsbeest, erkent zijn vader. Soms iets té. “Hij staat er elke dag. Twee jaar geleden was hij echt in topvorm, daarna werd het minder. De oorzaak? Lastig. Het is een combinatie, denk ik. Hij had een ontsteking in zijn mond, hij had iets wat leek op de ziekte van Pfeiffer, hij trainde iets te veel en nam te weinig rust. Zonde. Als vader hoop ik zo dat hij de aansluiting met de internationale top weer kan maken. Ik denk dat hij wat harder mag zijn voor zichzelf. Hij is een sociale jongen, maar tijdens wedstrijden mag hij wel iets meer een klootzak zijn. Iets gewiekster ook, zoals Jorik van Egdom. Als toptriatleet is dat geen slechte eigenschap. Menno houdt alle data bij, maar ik heb wel eens voorgesteld om daarnaast ook iets van een dagboek bij te houden. Daarin had hij iets kunnen schrijven over zijn gevoel.”

Menno is de laatste tijd vaker dan voorheen bij zijn ouders. Op zaterdag koerst hij vaak in Sloten, op zondag is het vooral rusten. Als er tóch gesport wordt, is het vooral voor de gezelligheid. Johan Koolhaas: “We rennen samen een rondje in het bos, of we zwemmen een uurtje. Menno is een fijne jongen, geen dwarsligger. Met een groep vrienden doe ik elk jaar mee aan de Amstel-Gold Race. Gezelligheid staat voorop. Ik dacht: laat ik Menno ook vragen. En dan zie ik Menno de hele dag ouwehoeren met iedereen, mooi om te zien.”

Dit artikel verscheen in Transition Magazine #21

Beeld: Eagle Fotografie/Arjan Baggerman