Tijdens de triathlon breng je het grootste deel van de tijd eenzaam door op de fiets. Wie het verschil wil maken, doet er slim aan veel aandacht te besteden aan de tijdrit. Hoe doet één van de beste tijdrijders ter wereld dat eigenlijk? Transition ging te rade bij de nummer twee van de olympische tijdrit in Rio de Janeiro en Giro-winnaar (2017), Tom Dumoulin.

Onderarmen leunend op het tijdritstuurtje, blik op de weg van oneindigheid, benen die creperen op een machtig verzet en melkzuur dat je inwendig laat schreeuwen om verlichting. Afgezien van de natte haren bij triatleten kent Tom Dumoulin dit gevoel maar al te goed. Sterker nog: De Limburger beheerst de discipline tot in de puntjes. Als Michelangelo een beeldhouwwerk van de volmaakte tijdrijder mocht creëren zou hij een duplicaat van Dumoulin uit het marmer hakken.

Wanneer de 25-jarige Dumoulin plaatsneemt op zijn tijdritfiets ontluikt zich een vorm van kunst. Zijn rug vlak, het bovenlichaam roerloos en twee jaloersmakende ledematen die eindeloos blijven malen. Geen triatleet kan zo tijdrijden als hij. “Maar ik kan dan weer niet zwemmen”, lacht Dumoulin vanuit zijn luie stoel. De wielrenner verblijft een nachtje in het WTC Hotel in Leeuwarden aan de vooravond van de Eneco Tour. Met een half aangevreten appel tussen duim en wijsvinger vertelt hij ontspannen over zijn favoriete discipline.

Eén keer per week

Door de Ironman in ‘zijn’ Maastricht is zijn interesse voor de triathlon gegroeid. Een deelname na zijn wielercarrière sluit Dumoulin niet uit. “Vroeger was ik een sterke loper, maar als wielrenner doe je dat zo weinig mogelijk. Je veroorzaakt veel spierschade. Na een half uur wandelen heb ik al stijve poten. Ik heb een keer hardloopconditie proberen op te bouwen in de winter. Als ik nu tien minuten ga hardlopen, heb ik gevoelsmatig niets gedaan, maar zijn mijn spieren helemaal naar de klote. Voor ik iets heb opgebouwd, ben ik een maand verder. Die tijd heb ik niet.”

In tegenstelling tot een triatleet die traint voor de lange afstand brengt Dumoulin niet overdreven veel tijd door op zijn tijdritfiets. Eén keer per week vindt hij voldoende. Meer dagen zijn niet nodig om vertrouwen te kweken. Na de tweede plaats tijdens de Olympische Spelen in Rio de Janeiro reed hij afgezien van de race tegen de klok in de Tour of Britain zelfs geen meter meer op zijn Giant.

“Door veel in de tijdritpositie te trainen, raak ik vermoeid en heb ik moeite met het vinden van de perfecte positie. Ik gebruik dan andere spieren ter compensatie en loop het risico vermoeid aan de start van een belangrijke wedstrijd te verschijnen.”

“Lang op de tijdritfiets zitten, werkt voor mij averechts. Het is niet comfortabel om veel op de tijdritfiets te zitten. Ik voel me daar niet lekker bij. Door veel in de tijdritpositie te trainen, raak ik vermoeid en heb ik moeite met het vinden van de perfecte positie. Ik gebruik dan andere spieren ter compensatie en loop het risico vermoeid aan de start van een belangrijke wedstrijd te verschijnen. Onze tijdritten zijn maximaal 60 kilometer lang, daarom denk ik dat triatleten meer tijd moeten steken in de tijdrit.”

Voorbereiden op de ultieme race

Het afgelopen jaar was winst op de olympische tijdrit de heilige graal. De hele seizoensopbouw stond in het teken van die ene dag waarop alles moest kloppen. De Limburger zegevierde in de proloog van de Giro d’Italia, verpletterde de concurrentie tijdens de eerste tijdrit in de Tour de France, maar die gouden medaille werd een utopie door een breuk in zijn pols na een val later in diezelfde Tour.

Als tijdrijder betekent voorbereiden op die ultieme race niet als een blind paard uren maken op de fiets. De winter staat in het teken van de zoektocht naar de perfectie. De houding, het materiaal, de afstelling van de fiets – het verschil zit in millimeters.

Foto: Mirko Meerwaldt

“In grote lijnen is mijn lichaamstand de afgelopen jaren weinig veranderd”, zegt Dumoulin. “Mijn stuur heb ik hoger gezet, zodat mijn handen voor mijn gezicht zijn in de tijdrit. Tijdens testen bleek dat aerodynamischer te zijn dan de armen vlak over het stuur, dan vangt de borstkas te veel wind. Bijkomend voordeel is dat ik de heuphoek ontlast en zo meer kracht kan overbrengen op de pedalen. Voorheen was de algemene gedachte dat het voordelig was zo laag mogelijk te zitten, maar dat bleek onjuist. De spieren in de bovenbenen knellen dan af.”

De houding moet voor Dumoulin aerodynamisch en comfortabel zijn. Een wedstrijd om dat te testen heeft hij niet nodig. Zijn gevoel is doorslaggevend. Voelt het gerieflijk, dan gaat het gerieflijk.

Sterke core van groot belang

Net als het gros van de triatleten wordt van Dumoulin verwacht dat hij drie keer per week oefeningen voor zijn romp doet. Zijn ploeg Giant-Alpecin schrijft intensieve sessies van drie kwartier voor. “Ik vind dat niet leuk, nee, maar voor een tijdrijder is een sterke romp van groot belang. Na de Spelen heb ik het laten versloffen. Voor belangrijke wedstrijden doe ik fanatiek de oefeningen voor mijn core stability, maar zo richting het einde van het seizoen kan ik daarvoor geen motivatie vinden.”

“Mijn buik hoeft niet krachtig te zijn. Aan een sixpack heb ik niets. De spiertjes in de romp moeten goed met elkaar samenwerken, dat is belangrijker voor mijn tijdrit.”

Net als zijn houding evalueert Dumoulin met zijn trainers bij Team Giant-Alpecin de trainingen en oefeningen die hij in een seizoen doet. De krachtoefeningen voor zijn buik zijn inmiddels afgezworen. Dumoulin tikt met zijn vlakke hand een paar keer op het bekende zwarte shirt van zijn ploeg. “Mijn buik hoeft niet krachtig te zijn. Aan een sixpack heb ik niets. De spiertjes in de romp moeten goed met elkaar samenwerken, dat is belangrijker voor mijn tijdrit.”

Zo hard en pijnloos mogelijk

Het versterken van die spieren, de houding, de afstelling van de fiets, het staat allemaal in het teken van zo hard en pijnloos mogelijk excelleren op de tijdrit. Want pijn, dat doet het ontegenzeggelijk. Meer dan welk onderdeel ook, tijdrijden doe je niet alleen tegen de klok, maar ook tegen jezelf. Tegen het stemmetje in het hoofd dat je moet stoppen, dat het genoeg is geweest, dat de grenzen van eigen kunnen zijn bereikt. Tijdens een tijdrit kun je elk moment beslissen af te stappen.

“Ook de allerbesten voelen dit. Een tijdrit doet verschrikkelijk veel pijn”, weet Dumoulin. “Als ik maximaal rijd, zit ik diep in de focus. De ademhaling gaat vanzelf. De pijn vergeet ik door me te concentreren op de volgende bocht of mijn houding. Als je gaat denken ‘oh, oh, ik kan bijna niet meer’, ben je verkeerd bezig. Dat is niet de manier om pijn uit te schakelen. Ik focus me op tactische en technische aspecten en blijf mezelf pushen om maximaal te geven.”

“Daarnaast is het belangrijk om jezelf af te sluiten van de omgeving. Als het slecht met mij gaat, erger ik me aan alles. Aan een toeschouwer die op de weg staat of het getetter van de ploegleider in mijn oortje. Op een goede dag gaat alles langs me heen.”

Wattage versus gevoel

Als hulp maakt Dumoulin gebruik van zijn fietscomputertje op het stuur. “Daar kijk ik alleen de eerste kilometers naar. Meer informatie dan wattage is niet nodig. Het is een indicatie of ik wel hard genoeg ga. In de eerste kilometers voel je geen pijn, dan bestaat het gevaar dat je te snel of langzaam start. Op een gegeven moment zit je zuurgraad op het maximum en dat probeer je vast te houden. Dan kijk ik niet meer naar de wattages. Maar eigenlijk voel ik zonder wattagemeter meteen al of het goed of slecht gaat. In die zin kan ik dus zonder extra informatie mijn tijdrit rijden.”

“Weet je wat het is? Uiteindelijk zit je op een fiets en gaat het erom dat je zo hard als mogelijk gaat. Wat maakt het in een tijdrit uit of je hartslag te hoog of te laag is?”

“Mijn hartslag is niet zichtbaar tijdens wedstrijden. De hartslag wisselt ook zo vaak; op de ene dag kan het tien slagen hoger liggen dan de andere dag, terwijl je met dezelfde wattages fietst. De algemeen geaccepteerde regel is hoe lager de hartslag hoe groter de vermoeidheid van het lichaam. Dat is meestal ook wel zo, maar dan kom je in een soort toestand terecht dat je overal conclusies uit gaat trekken. In je hoofd ga je dan wattages en hartslagen met elkaar vergelijken.”

“Weet je wat het is? Uiteindelijk zit je op een fiets en gaat het erom dat je zo hard als mogelijk gaat. In trainingen heb je er misschien wel iets aan, maar wat maakt het in een tijdrit uit of je hartslag dan te hoog of te laag is? Ik wil winnen en moet daarvoor het uiterste uit mezelf halen. Een hoge of lage hartslag is voor mij niet van belang.”

Vast patroon richting tijdrit

Bezeten als hij is, voelt Dumoulin in de ochtend voor de tijdrit veel spanning in zijn lijf. Voor hem is dat noodzakelijk om tot de ultieme prestatie te komen. Om die nervositeit te kanaliseren, leeft hij van minuut tot minuut in een vast patroon naar de tijdrit toe. Eten, drinken, opwarmen, het gebeurt op de seconde nauwkeurig en in de juiste proporties. Afwijken is uit den boze.

“Het mooiste aan de tijdrit is dat ik er goed in ben. Winnen is zo gruwelijk gaaf. Altijd ben ik op zoek naar die ene perfecte tijdrit waarin alles klopt. De ene keer heb ik het gevoel mooier op de fiets te zitten dan de andere keer, dat zit in details, maar is wel echt te zien. Superstrakke bochten rijden en dan de power in je benen, dat voelen is waanzinnig.”

En wat als Dumoulin niet goed was in rijden tegen de klok? “Dan zou ik het net als negentig procent van het peloton een verschrikkelijke discipline vinden.”


Dit artikel verscheen in Transition Magazine #5