Trainen op wattage is voor fietsers al lang geen nieuws meer. Loopt de hardloopwereld er ook warm voor? De techniek is veelbelovend en de eerste leveranciers hebben hun producten op de markt gebracht. Is het een tool die jij moet hebben?

Trainen op wattage staat in de hardloopwereld nog in de kinderschoenen. De techniek bestaat en is veelbelovend. Een powermeter is een directere methode om feedback te krijgen op wat van het lichaam gevraagd wordt dan bijvoorbeeld een hartslagmeter. Daarmee is het een tool om efficiënter te trainen en – als we de aanbieders mogen geloven – je race optimaal te pacen. Dat moet veel triatleten als muziek in de oren klinken.

In 2016 bracht Stryd een nieuwe techniek op de markt, een powermeter voor het hardlopen. Een revolutie leek aangebroken, want wat kort daarvoor nog bijna onmogelijk werd geacht, is nu beschikbaar. Het vermogen dat je als hardloper levert – en dat in tegenstelling tot wielrennen van veel variabelen afhankelijk is – wordt met deze powermeter inzichtelijk gemaakt. De belofte is groot: efficiënter trainen en het uiterste uit je wedstrijden halen. Kortom, betere prestaties. Toch duiken atleten, trainers en coaches er nog niet massaal bovenop. De recentere introducties van de hardlooopvermogensmeter van Garmin en Polar (ingebouwd in de Vanatge V) brengen daar wellicht verandering in. Het maakt de techniek toegankelijker voor een breder publiek. Is dit een tool die elke resultaatgerichte triatleet moet hebben?

De techniek

Om die vraag te kunnen beantwoorden bekijken we eerst de werking. Een powermeter voor hardlopen, trainen op vermogen… wat is dat nou precies? “Natuurkundig gezien is vermogen de kracht die een spier levert maal de snelheid waarmee de kracht geleverd wordt”, vertelt bewegingswetenschapper Wytze van der Zee. “Het product van die twee factoren lijkt de meest directe parameter in de sport om inzicht te krijgen in wat er fysiek gezien van het lichaam gevraagd wordt. Het bepaalt hoe zwaar wij iets vinden. Bij hardlopen is dat echter veel lastiger te meten dan bij fietsen. Bij een wielrenner is de afzet op zijn pedaal, één rondje, altijd dezelfde afstand, waardoor de snelheidscomponent eenvoudig bepaald kan worden. Een hardloper heeft te maken met veel meer variabelen. Neem alleen al het wegoppervlak, is dat hard of zacht? Dat is een groot verschil. De toename van het aantal variabelen maakt dat het bepalen van het vermogen bij hardlopen complexer is dan in de wielersport.”

Tegelijkertijd zijn er ook veel variabelen die wél gemeten kunnen worden. Denk daarbij aan snelheid, paslengte, gewicht, grondcontact, cadans en verticale oscillatie. En dat is precies wat de hardloopvermogensmeter doet. Een sensor meet verschillende variabelen en vertaalt al deze data in een enkele waarde, bekend als vermogen of wattage. “De huidige aanbieders zijn blijkbaar op zoek gegaan naar componenten die invloed hebben op ons loopvermogen”, vertelt Van der Zee. “Hoe dicht dat in de buurt komt van het daadwerkelijke vermogen, is moeilijk te meten, maar gezien de realistische waardes lijkt het er op dat ze er met de verschillende variabelen heel dichtbij zitten. Zo lang het verschil nihil is en in ieder geval constant, kun je er heel effectief mee aan de slag.”

Trainingen en wedstrijden pacen

Tot zo ver de techniek, die aanbieders als Stryd hebben verpakt in een sensor die je aan je schoen bevestigt. Maar wat heb je er nu precies aan? Daarvoor gaan we te rade bij Sander Berk, als coach en toegepast wetenschapper verbonden aan het Nationaal Triathlon Trainingscentrum (NTC) in Sittard. “Net als bij fietsen heb je nu dus een extra variabele om je inspanning mee te kwantificeren”, legt hij uit. “In principe zou je deze data op dezelfde manier kunnen gebruiken als op de fiets. Dus je kunt er trainingsintensiteit mee voorschrijven of controleren, en je kunt er je trainingen en wedstrijden mee pacen.”

“Vooral op glooiend terrein is het een interessante manier om je energie juist te verdelen.”

Berk noemt het: ‘Een extra getalletje om je intensiteit mee te kwantificeren’. “Het geeft een indruk van het effect van de omgeving (heuvel op en af) op de energie die je nodig hebt om vooruit te komen. Vooral op glooiend terrein is het een interessante manier om je energie juist te verdelen.”

Vermogen versus hartslag

Daarmee hebben we precies de grootste pré van deze technologie te pakken. De vermogensmeter laat zien hoeveel vermogen jij levert op dat moment. Dit in tegenstelling tot hartslag, die altijd een fysiologische respons is op de stress op je lichaam. De vertragende factor bij hartslag maakt het onmogelijk de exacte intensiteit te bepalen in bijvoorbeeld een interval of klim. Simpel gezegd: voordat je aan de hand van je hartslag je inspanning kunt meten, is je sprint mogelijk alweer voorbij.

“Hartslag is afhankelijk van veel meer factoren dan alleen de prestatie die je levert. Met een powermeter kun je dichter bij je omslagpunt trainen.”

Daarbij is hartslag afhankelijk van veel meer factoren dan alleen de prestatie die je levert. Denk bijvoorbeeld aan de temperatuur, je fitheid of medicatie. Het betekent dat je met een powermeter dichterbij je omslagpunt kunt trainen, stelt Van der Zee. “In een wedstrijd zul je met behulp van de powermeter minder snel te diep gaan of aan het einde van de race nog energie over hebben.” Daarbij plaatst hij wel een kanttekening. “Trainen is gegevens verzamelen voor een wedstrijd.” Oftewel, tijdens de race zijn we gefocust en minder bezig met de data.


Data verzamelen

Jorik van Egdom, professioneel triatleet, kan het laatste beamen. “Voor mij persoonlijk geldt dat ik in een wedstrijd met fietsen in de kopgroep moet zitten om zoveel mogelijk met de groep mee te kunnen lopen. Dat voordeel is veel groter dan precies mijn ‘ideale’ vermogen lopen.” Toch ziet de triatleet ook de voordelen van lopen op vermogen. Zelf heeft hij sinds een jaar de Stryd-powermeter, waar hij periodes mee gelopen heeft. “Het werkt heel goed en ook vrij accuraat. Als het parcours iets omhoog gaat, zie je dat je meer vermogen levert bij hetzelfde tempo. Ook bij steeds snellere intervallen is goed te zien hoe het vermogen oploopt.”

“Ik vind het heel nuttig om achteraf te zien wat mijn gemiddelde tempo, hartslag en geleverde vermogen was. Met die drie waarden kun je goed je progressie in de opbouwperiode zien.”

Toch is Van Egdom nog niet ‘om’. Echt lopen op vermogen ervaart hij vooralsnog als lastig. “Er zit toch nog een paar seconden vertraging in het vermogen dat je levert en de waarde die je op je schermpje te zien krijgt. Ik ben gewend met fietsen dat je dit direct ziet. Mijn fietstrainingen gaan dan ook standaard op vermogen.” Wat betreft zijn looptrainingen ziet de triatleet vooral voordeel in de data die verzameld wordt. “Ik vind het heel nuttig om achteraf te zien wat mijn gemiddelde tempo, hartslag en geleverde vermogen was. Met die drie waarden kun je goed je progressie in de opbouwperiode zien.” Ook heeft hij een aantal loopwedstrijden met de vermogensmeter volbracht. “Het parcours is mooi terug te zien in de data die dat oplevert. En het is interessant om te zien of je altijd een bepaald vermogen gelopen hebt. Voor mij is de data vooral een bevestiging van mijn gevoel. Als het heel goed ging of een keer iets minder, klopt dat dan ook met de gegevens die ik uitlees? Ik ben iets meer van het gevoel dan van de getallen. In die zin vind ik de loopvermogensmeter leuk, maar geen must.”

Voor datafreaks

Ook Berk spreekt nog niet van een must voor elke resultaatgerichte triatleet. “Zoals ik het nu zie is het vooral een interessante tool voor atleten die hun pacing niet onder controle hebben, maar dat voor hun type wedstrijd wel zouden moeten. Met name dus voor (beginnende) atleten op de langere wedstrijden zonder stayeren. Die atleten moeten echter wel datafreaks zijn; het leuk vinden om met de data bezig te zijn.” Binnen het NTC wordt Stryd momenteel alleen tijdens lactaattesten gebruikt om data te verzamelen. Naast vermogen worden de grondcontacttijd en een aantal andere berekende waarden uit de data gehaald. Zo kan de powermeter ook bijdragen aan bijvoorbeeld het verbeteren van de looptechniek.

“Je moet weten wat je doet en het ook bijhouden. Kalibreren dus. Check elke week je hartslag in relatie tot het vermogen, en waar mogelijk in relatie tot het omslagpunt.”

Of lopen op vermogen een must is, is volgens Van der Zee afhankelijk van het niveau van de triatleet. “Ik denk dat het alleen interessant is voor de iets fanatiekere atleet die minimaal vier keer per week traint. Anders maakt het je alleen maar onzeker. Je moet weten wat je doet en het ook bijhouden. Kalibreren dus. Check elke week je hartslag in relatie tot het vermogen, en waar mogelijk in relatie tot het omslagpunt.” Van der Zee denkt dat lopen op vermogen nog een hele vlucht gaat nemen. “In ieder geval in de topsport. Ik kan me ook voorstellen dat de triathlon daarin voor loopt op bijvoorbeeld de atletiek. Triatleten trainen vaak heel zelfstandig en zijn altijd op zoek naar wat werkt. Als de data van loopvermogensmeters toegankelijker wordt gemaakt, bijvoorbeeld door middel van apps, zou de massa het kunnen oppakken.”


Dit artikel verscheen in Transition Magazine #15

Beeld: Felice Hofhuizen

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.