Tokio 2020 lijkt nog ver weg maar het kwalificatietraject is in volle gang. Transition houdt je op de hoogte van de voorbereidingen en belde met Maya Kingma. De voormalig zwemster is pas 23 jaar, maar weet heel goed wat ze wil en stippelt haar eigen weg naar Tokio uit.

Je verliet als 20-jarige het Nationaal Trainings Centrum (NTC) in Sittard. Op die leeftijd al je eigen weg gaan, is een gewaagde beslissing. Waarom besloot je in 2017 het NTC te verlaten?

“Ik zit nog wel in de Nederlandse selectie, maar ik woon niet meer in Sittard. De reden daarvoor is dat ik mijn zwemmen weer op een hoger niveau wil brengen en ik meer aandacht aan mijn techniek wil besteden. Sinds ik in 2012 de overstap van het zwemmen naar de triathlonsport heb gemaakt, merk ik dat mijn zwemmen achteruit gaat. Ik zwem nu langzamer dan toen ik veertien was. Ik begrijp dat dat komt omdat ik er nu ook bij fiets en loop en dus niet meer alleen gefocust ben op het zwemmen, maar ik miste de techniektrainingen die ik als zwemster veel deed. Het was geen makkelijke beslissing om weg te gaan uit Sittard, maar ik denk dat deze weg beter bij me past.”

Hoe ziet die aanpak er uit en wat is de rol van de bond nu je niet meer intern bent in Sittard?

“Ik ben ontzettend blij dat de bond me heeft gesteund in mijn beslissing en we werken nog steeds samen. Louis Delahaije neemt de beslissingen over mijn programma, maar qua training word ik begeleid door George Sieverding. Hij besteedt heel veel aandacht aan techniek en daar voel ik me goed bij. George maakt mijn schema’s – niet alleen voor het zwemmen, maar ook voor het fietsen en lopen – en ik upload al mijn trainingsdata in TrainingPeaks. Zo kunnen de coaches van het NTC vinger aan de pols houden.”

Als (langebaan)zwemster veroverde je meerdere Nederlandse titels, hoe ben je in aanraking gekomen met de triathlonsport?

“George was mijn zwemtrainer in Breda, maar hij heeft ook een eigen trainingsgroep met zwemmers en triatleten die op zaterdagochtend in Zeist op techniek trainen. Ik trainde daar ook mee en na die zwemtrainingen werd er als conditietraining gemountainbiked of hardgelopen. Hardlopen deed ik sowieso al. Mijn ouders lopen allebei hard en ik deed af en toe met hen aan hardloopwedstrijdjes mee. In 2010 was het NK crossduathlon in Etten-Leur, bij ons om de hoek dus. En omdat een aantal atleten van de trainingsgroep van George meedeed, besloot ik me ook in te schrijven. Ik had totaal geen ambities om aan triathlon te gaan doen, maar tot mijn verrassing won ik in mijn leeftijdscategorie. De speaker herkende mijn naam van het openwaterzwemmen en opperde dat ik als zwemster dan zeker een keer aan een triathlon mee moest doen.”

Hoe was je eerste kennismaking met triathlon?

“Het was een succes, maar ook weer niet. Ik deed mee aan het NK voor junioren in Stein – dat ik ook won – en aan de triathlon in Aalsmeer, maar ik kreeg daarna zodanig last van mijn knieën, dat ik twee jaar uit de roulatie ben geweest. Ik heb zelfs een jaar niet kunnen zwemmen. De pijn zat rondom de knieschijf en bleek uiteindelijk groeipijn te zijn. De artsen voorspelden me dat het twee jaar kon duren, of met een beetje pech dat het nooit meer weg zou gaan. Gelukkig kwam het bij mij weer goed en kon ik na twee jaar weer hardlopen.”

Wanneer keerde je weer terug in de triathlonsport?

“Ik had het geluk dat ik door Eric van der Linden werd uitgenodigd voor het team van ProTriathlon – een stichting die investeert in jonge talenten – en daardoor een racefiets tot mijn beschikking kreeg. Zo kon ik weer beginnen. In het voorjaar van 2012 deed ik mee aan een zwem- en een hardlooptest en kwalificeerde ik me voor het EK voor junioren in Eilat, dat heel vroeg in het seizoen plaatsvond. Het zwemmen en fietsen gingen goed in Israël, maar tijdens het lopen kwam ik nog veel tekort. Niet verwonderlijk natuurlijk want ik had bijna twee jaar niet gelopen en het EK was mijn vierde wedstrijd ooit. Later dat seizoen plaatste ik me – samen met Jorik van Egdom – voor het WK in Aucland, waar ik als dertiende eindigde. Dat was een grote motivatie om door te gaan met triathlon.”

Hoe lang heb je zwemmen en triathlon gecombineerd?

“Lang heb ik het zwemmen niet op willen geven en bleef ik in de winter ook nog wel wedstrijden – de langere afstanden, de 400, 800 en 1500 meter, waren favoriet – zwemmen. Maar mijn dertiende plaats op het WK gaf voor mij de doorslag om uiteindelijk helemaal voor de triathlon te gaan.”

Je behoort tot de snelste zwemmers in het WTS-circuit en in Bermuda dit jaar voerde je samen met Katie Zaferes op de fiets het tempo aan in de achtervolgende groep op Flora Duffy, maar voor een top-10-klassering kom je op het lopen nog te kort…

“Dat klopt. Lopen is lastig voor mij. Ik raak heel snel geblesseerd – dat schijnt bij zwemmers wel vaker voor te komen – dus dat is een beperkende factor. Ik loop gemiddeld niet meer dan 20 kilometer per week hard, ik doe geen tempo’s en loop ook alleen maar off road, en dat is op dit niveau natuurlijk veel te weinig. Ik moet gewoon heel erg oppassen. Het hoofddoel is dan ook om zonder blessures een seizoen door te komen. Vorig jaar was ik goed op weg, maar raakte ik twee weken voor de Grand Final in Rotterdam – waar mijn halve familie vandaan komt – geblesseerd. Dat was een enorme teleurstelling. Tot nu toe gaat het nog steeds goed en als het me nu lukt om een lange periode blessurevrij te blijven, kan ik nog veel winnen op het lopen.”

Je bent al twee keer in een World Triathlon Series-wedstrijd bij de eerste twintig geëindigd – dit jaar in Bermuda en vorig jaar in Leeds – hoe schat je je kansen in op kwalificatie voor de Olympische Spelen in Tokio?

“Individueel wordt het moeilijk. De kwalificatie-eisen zijn aangescherpt ten opzichte van vier jaar geleden. Je moet nu een keer bij de eerste zes eindigen in een World Triathlon Series-race en een keer bij de eerste tien – en dan ook nog eens in wedstrijden die je vooraf hebt aangegeven. Ik geef mijzelf meer kans in de mixed teamrelay, waarin we eind maart 2020 bij de eerste zeven landen op de Olympische kwalificatieranking moeten staan. We zijn dit seizoen twee keer als vijfde geëindigd – in Nottingham en op het WK in Hamburg – en als achtste in Edmonton. De kans is dus reëel. Het team is ook heel gemotiveerd, we gaan er helemaal voor.”

Hoe ziet jouw route naar de Olympische Spelen er uit?

“Ik bekijk het echt van wedstrijd tot wedstrijd. Na de teamrelay in Nottingham werd ik ziek en kon ik niet meedoen in Leeds. Toen zakte ik ineens uit de top-150 en dan is het moeilijk om in WTS-wedstrijden binnen te komen. Gelukkig mocht ik op het laatste moment toch meedoen in Edmonton en kon ik vervolgens ook in Montreal starten. Ik had het niet verwacht, maar ik mag ook mee doen aan de Grand Final in Australië. Daar zal ik meedoen aan de elitewedstrijd en niet aan het WK onder 23 jaar. Daar zijn namelijk de punten voor de Olympic Qualifying Ranking te verdienen en die zijn nu eenmaal belangrijker dan een titel bij de beloften.”


Dit artikel verscheen in Transition Magazine #17
Beeld: Lennaert Ruinen, ITU/Wagner Araujo (of: ITU/Janos Schmidt, afhankelijk van fotokeuze)