Tokio 2020 lijkt nog ver weg en de kwalificatie voor paratriatleten begint weliswaar pas in 2019, maar de strijd om de rankingpunten is al volop bezig. Transition belde met Maurits Morsink, die in Tokio zijn debuut op de Paralympische Spelen hoopt te maken.

Terwijl de olympische kwalificatiecyclus in mei al begonnen is, heerst er voor de paratriatleten nog veel onzekerheid. Niet alleen zijn de kwalificatie-eisen nog niet bekend, ook in welke categorieën gestreden gaat worden om goud, zilver en brons is nog onzeker.

Hoe ga jij om met die onzekerheid?

“Er is nog steeds een discussie gaande tussen het IOC en de ITU. De komende weken moet er meer duidelijkheid komen, al denkt bondscoach Bas de Bruin dat het nog wel veel langer kan duren. Maar het is natuurlijk opmerkelijk dat er twee jaar voor de Spelen nog zoveel onduidelijk is. Wat we wel zeker weten is dat er vier, in plaats van drie categorieën in 2016, mee mogen doen in Tokio. Mijn klasse was twee jaar geleden ook al paralympisch, maar ik haal pas opgelucht adem als het officieel bekend is.”

Kun je iets meer vertellen over de klasse waar je in uitkomt?

“Ik ben aan een zijde van mijn lichaam spastisch en heb daardoor een functiebeperking in mijn rechterarm- en been. Ik kom daardoor uit in de PTS2-klasse waar bijvoorbeeld ook mensen met een hoge beenamputatie uitkomen. Ik merk om me heen dat de indeling en de hoeveelheid aan categorieën bij buitenstaanders niet altijd even duidelijk is. Tussen mijn klasse en de PTS5-klasse waarin atleten uitkomen die bijvoorbeeld een deel van een hand missen, zitten nog twee categorieën. De olympische gedachte is dat iedereen moet kunnen deelnemen, maar die vier klassen mogen ze van mij best samenvoegen tot twee. Ook al betekent dat dat ik meer en zwaardere concurrentie krijg.”

Voordat je met paratriathlon begon heb je altijd aan valide sporten gedaan. Hoe was dat?

“In mijn jeugd ben ik begonnen met hockey, maar ik kon niet goed genoeg uit de voeten met de stick in mijn rechterhand. Vervolgens ben ik gaan keepen, met de stick in  mijn linkerhand, en dat ging heel goed. Bij Hockeyclub Rotterdam heb ik zo alle jeugdselecties doorlopen, totdat ik ging studeren. Als student ben ik vervolgens gaan rugbyen, misschien om te bewijzen dat ik voor niemand iets onder hoefde te doen. Ik had niet veel talent, maar was wel fanatiek. Dat leverde vooral veel blessures – hersenschuddingen, een gebroken neus en een verrekte enkelband – op dus na de derde hersenschudding leek het me beter om iets anders te doen.”

Vanwaar de overstap naar parasport?

“Ik werd in 2015 gevraagd om mee te doen aan een paralympische talentdag. Ik had daar niet zoveel zin in, ik vond het eigenlijk niks voor mij, en dat denk ik nu nog wel eens, maar ben toch gegaan. Ik had net een racefiets gekocht om – voor het goede doel –  van Rotterdam naar Barcelona te fietsen, en het fietsen bleek me wel te liggen. Zo werd ik gevraagd bij de paraselectie wielrennen.”

Je werd meteen Nederlands kampioen, maar toch was het wielrennen geen lang leven beschoren…

“Dat ik die Nederlandse titel won, was niet zo heel moeilijk, want er was niet zo heel veel concurrentie. Ik kwam in de selectie terecht, maar het was een jaar voor de Spelen in Rio, dus de focus lag op de mensen die naar de Paralympische Spelen gingen. Ik kon een grote internationale wedstrijd rijden – waarin ik na 5 kilometer ten val kwam – maar moest vervolgens een jaar wachten op de volgende grote wedstrijd. Daar had ik geen geduld voor, dus heb ik Bas de Bruin gebeld.”

Waarom triathlon?

“Ik vind alle sporten leuk en in de paratriathlon kan ik er drie tegelijk doen. Hard fietsen en lopen kon ik al en ik wilde altijd al graag beter leren zwemmen, dus het leek me een mooie uitdaging. Ik ben in 2016 begonnen, maar het WK in mijn woonplaats Rotterdam in 2017 kwam nog te vroeg. Ik stond niet hoog genoeg op de ranking om mee te doen in mijn klasse, dus heb ik meegedaan aan de open wedstrijd, die ik ook won.”

Het kwalificatietraject voor Tokio is nog niet begonnen, maar dit is toch al een belangrijk jaar voor jou, waarom is dat?

“Het is nu al van belang om genoeg punten voor de ranglijst te verzamelen, zodat ik in ieder geval aan alle belangrijke wedstrijden mee kan doen als het kwalificatietraject begint. Dit jaar begon in ieder geval goed met de World Cup-zege in Aguillas in Spanje en tweede plaatsen in de World Cups in Groot-Brittannië en Frankrijk. Het World Para Triathlon Event in Iseo ging iets minder goed. Het meer waarin we zwommen was nogal onstuimig. Ik zag niks, kreeg water binnen; kortom, ik had het heel zwaar. En dat werkte door in het fietsen en lopen. Ik had geen power op de fiets, liep nog wel achttien minuten op de 5 kilometer, maar dat moet normaal wel een minuutje harder kunnen, en werd na afloop op een brancard de medische tent in gedragen. Het was niet de wedstrijd die ik voor ogen had.”

Fietsen is je specialiteit, het lopen gaat je ook goed af. Nu nog hard werken aan het zwemmen?

“Zwemmen is duidelijk mijn minste onderdeel. Ik heb er weinig ervaring mee en het is ook nog eens een heel technisch onderdeel. Ik heb minder kracht en coördinatie in mijn rechterarm, dus dat is lastig. Ik verlies in verhouding ook nog eens veel op de jongens die bijvoorbeeld een beenamputatie hebben en dus minder beperkt zijn met het zwemmen. Maar goed ik ben de snelste fietser en loper in mijn categorie, dus als ik het zwemmen nog wat kan verbeteren, is alles mogelijk. Zelfs een gouden medaille. De verschillen in de PTS2-klasse zijn namelijk erg klein.”


Dit artikel verscheen in Transition Magazine #16
Beeld: Sonja Jaarsveld

Over de auteur

Marcia Jansen

Freelance journalist | Schrijfster van de ‘De Hartslag van een ander’ | Triatleet sinds 2000 | Ironwoman sinds 2014 | Woonachtig met man en twee dochters op Salt Spring Island aan de westkust van Canada.

Gerelateerde berichten