Wat als je een van de grootste triathlontalenten van je generatie bent en toch niet volledig wilt focussen op een bestaan als topsporter? Rani Škrabanja combineert haar Olympische ambities met een universitaire studie.

De 19-jarige Rani Škrabanja is een van de grootste triathlontalenten van ons land. Maar volledig focussen op de sport wil ze vooralsnog niet: daarvoor vindt ze het wereldje net iets te beperkt. De Limburgse triatlete – die op 5-jarige (!) leeftijd debuteerde in Stein – studeert Industrial Design aan de TU Eindhoven, omdat ze ook een leven naast de triathlon ambieert. Als er komende jaren echter een moment komt dat ze tóch moet kiezen tussen studie en triathlon, kiest ze voor de sport. Want Rani heeft haar zinnen gezet op deelname aan de Olympische Spelen.

Niet gedubbeld worden

Aan drie letters op de uitslagenlijst heeft Rani Škrabanja echt een bloedhekel: DNF. Did not finish. Drie letters die ze per se niet achter haar naam wil zien. Tenzij het écht niet anders kan. Een flinke valpartij bijvoorbeeld, zodat je eigenlijk niet verder kan. Tijdens haar World Cup-debuut op het Italiaanse eiland Sardinië, in juni vorig jaar, ging Rani hard onderuit. Ze knalde op een hulpverlener. Het gebeurde tijdens de afdaling, ze kon er echt niks aan doen. De hulpverlener was op dat moment bezig met een andere triatlete die kort daarvoor gevallen was. Rani kon hem niet meer ontwijken en botste er tegenaan. Ze verbeet de pijn, maar opgeven kwam niet in haar hoofd op. Škrabanja reed vervolgens volle bak, want ze wilde niet gedubbeld worden. Haar kansen op een goede eindklassering waren op dat moment natuurlijk al lang verkeken. Ze finishte als veertigste en kwam onderaan de uitslagenlijst terecht. Vol met blauwe plekken, maar zonder DNF achter haar naam.

“Ze is een vasthoudend type. Als mijn dochter iets in haar hoofd heeft zitten, dan gaat ze er ook voor. Noem het koppigheid. Ze heeft nu bedacht dat ze naar de Olympische Spelen wil.”

Koppigheid sterkste punt

Rani is een doorzetter, beaamt haar moeder Esther Bouman. “Ze is een vasthoudend type. Als mijn dochter iets in haar hoofd heeft zitten, dan gaat ze er ook voor. Noem het koppigheid. Ze heeft nu bedacht dat ze naar de Olympische Spelen wil. Wanneer ze eenmaal een keuze heeft gemaakt, valt daar ook niet meer over te discussiëren. Die koppigheid is trouwens ook haar sterkste punt.” Rani staat bekend als een vrolijk en ietwat eigenwijs meisje, aldus haar moeder. Meestal kijkt ze de kat even uit de boom, maar mensen die haar beter kennen, zeggen dat ze een open en sociaal type is. Ze lacht veel, bovendien is ze een nuchter type. Met mensen die zich aanstellen heeft ze weinig op.

Iets te vroeg?

De 19-jarige Rani Škrabanja – haar achternaam heeft ze te danken aan haar Sloveense voorouders – geldt als een van de grootste triathlonbeloften van ons land. In november 2017 won ze de Gijs Klerkx Award, een prijs die door de bond wordt uitgereikt aan het talent van het jaar. Ze werd vorig jaar zesde op het EK junioren in het Oostenrijkse Kitzbühel en behaalde een veertiende plek tijdens het WK junioren in Rotterdam. Prestaties die er toe doen.

“Ik keek mijn moeder aan en zei: hoort mijn naam hier wel tussen te staan? Is het misschien niet iets te vroeg? We moesten er heel hard om lachen.”

Na een onfortuinlijk World Cup-debuut in Italië stond ze begin 2018 voor de tweede keer aan de start van een World Cup, dit keer in Kaapstad. Rani: “Samen met moeder keek ik vooraf naar de startlijst. Daar stonden de namen van Vicky Holland en Non Stanford op, de nummers drie en vier van de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Ik keek mijn moeder aan en zei: hoort mijn naam hier wel tussen te staan? Is het misschien niet iets te vroeg? We moesten er heel hard om lachen.”

Het zwemmen in Kaapstad ging goed, eigenlijk zoals ze had verwacht, blikt Rani terug. Na de eerste wissel zat ze hooguit een meter of tien van de kopgroep. Ze is volgens eigen zeggen een paar honderd meter ‘als een kip zonder kop’ gaan sprinten om bij de kopgroep te kunnen komen. Dat is gelukt. “Ik kwam uiteindelijk in die kopgroep terecht, met daarin onder meer Vicky Holland en Non Stanford. Dat was gaaf. Het was zwaar, maar tot de wissel kon ik er bij blijven. Ik merkte toen heel duidelijk het verschil tussen fietsen met pro’s en fietsen met junioren. Bij de junioren wordt regelmatig gelanterfant op de fiets, bij de senioren absoluut niet. Wie verslapt, ligt er gewoon af. Met het lopen moest ik ze laten gaan, uiteindelijk werd ik dertiende. Tot nu toe ben ik het meest trots op die prestatie in Kaapstad.”

Over het hekje

Rani is geboren op 7 september 1998 in Wageningen. Zo’n twee jaar later verhuisde het gezin – vader Arno Škrabanja, moeder Esther Bouman en broer Axel – naar het Limburgse plaatsje Cadier en Keer. Ze groeide op in een normaal gezin. Haar moeder is arts, haar vader werkt bij het Clinical Trial Center in Maastricht. Vader én moeder zijn triatleten. Recreanten weliswaar, maar toch. Haar moeder: “Rani heeft het dus niet van een vreemde. De eerste keer dat ze over de finish van een triathlonwedstrijd kwam, was tijdens de Ironman in Klagenfurt: ze was over het hek gesprongen en liep het laatste stukje met haar vader mee.”

Rani maakte haar eigen debuut op een triathlon in Stein. Ze was vijf en had haar zwemdiploma’s nog niet eens allemaal binnen. Ook deed ze toen af en toe al mee aan hardloopwedstrijden. Haar ouders hebben wel eens gesjoemeld met haar leeftijd, kan ze zich herinneren. “Zo deed ik een keer mee aan de Abdijcross in Kerkrade. Ik zat in groep twee, terwijl alleen kinderen uit groep drie en hoger mochten starten.” Rani zat als kind op wedstrijdzwemmen, verder deed ze aan jazzballet. Na een paar jaar jazzballet was ze het dansen echter zat. Een beetje dan. “Vriendinnen gingen naar een hogere groep, ik niet. Daarom ben ik met jazzballet gestopt. Omdat ik ook saxofoon speelde, ben ik bij de plaatselijke fanfare gegaan.”

Bovengemiddeld veel talent

Op haar veertiende besloot ze een kijkje te nemen bij een talentdag van het regionaal trainingscentrum van de NTB in Sportzone Limburg. Ze bleek bovengemiddeld veel talent te hebben voor de sport. Sindsdien is het snel gegaan. Rani maakt nu deel uit van de nationale selectie. Ze woont en traint doordeweeks bij het Nationaal Triathlon Trainingscentrum (NTC) op Watersley in Sittard. Ze woont samen met zes andere triatleten in een huis op de sport- en talentencampus, maar beschikt over een eigen kamer. De sfeer is goed, vertelt ze. Als het even kan eten en/of trainen ze samen. Er wordt veel gekletst, soms doen ze spelletjes. Ze kan goed overweg met andere triatleten, maar als ze haar hart wil luchten, belt ze meestal met een vriendin die ze nog kent van de middelbare school. Verder is Rani druk met haar studie. In de weekenden is ze meestal bij haar ouders in Cadier en Keer.

Leven naast de sport

Rani heeft er heel bewust voor gekozen om een leven naast de triathlon te hebben, in de vorm van een universitaire studie. Het propedeusejaar heeft ze succesvol afgerond en ook het tweede jaar gaat volgens planning. “Bij Industrial Design zit je niet veel in de collegebanken, maar werk je vooral in groepjes. Dat lukt aardig, de meeste medestudenten hebben er begrip voor als ik een paar dagen afwezig ben voor een wedstrijd. Of in januari, toen ik drie weken op trainingskamp was in Namibië. Als ik met mijn studiegenoten ben, praat ik vooral ook over andere dingen dan triathlon. Dat vind ik prettig. En als ze na een weekend vragen hoe mijn wedstrijd was, zijn ze ook oprecht geïnteresseerd. Natuurlijk zijn er ook studenten die totaal niet snappen dat ik zoveel tijd steek in mijn sport. Ze kijken me aan met een blik alsof ik van een andere planeet kom.”

“Als ik met mijn studiegenoten ben, praat ik vooral ook over andere dingen dan triathlon. Dat vind ik prettig. En als ze na een weekend vragen hoe mijn wedstrijd was, zijn ze ook oprecht geïnteresseerd.”

Dat Rani naast het sporten wil studeren, is echt haar eigen keuze geweest. Ze is niet onder druk gezet door haar ouders, integendeel. “Zij hadden het echt prima gevonden als ik er geen studie naast zou doen, maar ze snappen wel dat ik die keuze heb gemaakt.” Ze is nu tweedejaars studente en vooralsnog kan ze de werkdruk prima aan. Ook heeft ze goed contact met de decaan. Rani pendelt drie à vier dagen per week met de trein op en neer tussen Sittard en de TU Eindhoven. De uurtjes in de trein studeert ze.

Intrinsieke motivatie

De training beslaat gemiddeld zo’n twintig uur per week. Door haar studie traint ze net iets vaker in haar uppie dan de gemiddelde toptriatleet. Niet erg, zegt ze. Haar intrinsieke motivatie is goed, de uren maakt ze toch wel. Geen enkele training is echt vervelend, daarom is het voor haar makkelijk op te brengen om gemotiveerd te blijven. Als ze dan toch iets moet noemen wat iets minder leuk is, dan is het in de winter op een Tacx zitten. “Ik verveel me nogal snel. Meestal kijk ik een film en zet ik een muziekje op. Dan is het vol te houden. Liever fiets ik buiten, dan ben ik minder snel verveeld. Ik kijk om me heen, probeer te genieten van de omgeving.”

Veel tijd om te rusten heeft Rani niet, maar klagen doet ze niet. “In principe heb ik genoeg tijd om alles te kunnen doen wat ik moet doen.” Tijd voor hobby’s heeft ze nauwelijks. Tijdens wedstrijden in het buitenland neemt ze meestal een studieboek en een lekker leesboek mee. Als ze bij haar ouders in Cadier en Keer is, maakt ze graag lange wandelingen met hond Milou, een border collie. En heel af en toe speelt ze nog op haar saxofoon. Misschien zou ze iets meer tijd willen doorbrengen met vriendinnen van de middelbare school. “Ik kan vaak niet naar feestjes of mee naar de film. Gelukkig begrijpen ze het wel dat ik er niet altijd bij kan zijn.”

Stuursticker: ademen

Rani heeft plezier in haar sport, zoveel is duidelijk. Vooropgesteld, presteren is belangrijk. “Als ik een wedstrijd heb, ga ik tot het gaatje. Ik kan heel lang een bepaald tempo vasthouden. Ook als ik een mindere dag heb, probeer ik er toch alles uit te halen. Maar ik vind plezier toch het allerbelangrijkste. Op een wedstrijddag heb ik trouwens altijd één moment dat ik wel twijfel: de minuten vlak voor de start. Je hoort een muziekje, je hoort trommels. Dan sta ik daar tussen al die andere triatletes en denk ik: waar doe ik dit ook alweer voor? Het zijn de zenuwen, denk ik. Want als het startschot eenmaal klinkt en ik ren het water in, dan ben ik dat gevoel totaal vergeten. Dan denk ik: yes, knallen!”

“Als ik er niet aan denk, adem ik te hoog. Dat kost me zoveel energie, dat het looponderdeel heel erg zwaar wordt. Die sticker is een reminder. Ik moet ademen vanuit de buik, niet vanuit de borst.”

Als triatlete is Rani een allrounder. Zwemmen is haar sterkste onderdeel. Soms doet ze mee aan losse zwemwedstijden, om nog sneller te worden. Fietsen kan beter, lopen ook. Kortom, zelfkritiek is haar niet vreemd. Op de fiets kan ze misschien wat explosiever worden, lopen moet sneller wil ze die wereldtop halen. Ook is ze soms te bescheiden. Rani is kerngezond, al heeft ze soms last van inspanningsastma. Daar is goed mee om te gaan, als ze haar pufjes maar op tijd neemt. Op het stuur van haar fiets heeft ze een stickertje geplakt met de tekst: ademen. “Als ik er niet aan denk, adem ik te hoog. Dat kost me zoveel energie, dat het looponderdeel heel erg zwaar wordt. Die sticker is een reminder. Ik moet ademen vanuit de buik, niet vanuit de borst.”

Zo hoog mogelijk

Haar grote droom is meedoen aan de Olympische Spelen. Tokio 2020 komt waarschijnlijk te vroeg, maar vier jaar later, in 2024 in Parijs, wil ze er graag bij zijn. Haar doel voor dit jaar is kwalificatie voor het WK onder 23, en dan zo hoog mogelijk eindigen. Ook wil ze aan de start van een aantal World Cups verschijnen. Ze gaat sowieso deelnemen in Sardinië, waar ze in 2017 debuteerde met een valpartij. Daar valt nog wat te bewijzen. In elk geval voor zichzelf. Zonder blauwe plekken, zonder DNF. Ze wil finishen. Zo hoog mogelijk.

Rani in vier steekwoorden

NTC-coach Jordi Meulenberg noemt Rani een voorbeeldatleet. Ze volgt de door hem gemaakte schema’s trouw, maar doet dat altijd met een kritische blik. “Rani is geen type dat zomaar alles voor lief aanneemt. Als ze iets niet snapt, vraagt ze net zo lang door tot ze het wel snapt.”

Meulenberg noemt Rani een echte allrounder: in de basis kan ze heel goed zwemmen, fietsen en lopen. Ook mentaal is ze sterk. “Ze geeft nooit op, ze blijft pushen, ook als het een dag niet gaat. Daardoor haalt ze altijd een respectabel niveau.”

De coach praat regelmatig met haar over de combinatie van topsport bedrijven en het volgen van een universitaire studie. “Vooropgesteld: ik respecteer haar keuze. Wat ik echter wel denk, is dat ze meer progressie kan maken als ze zich volledig focust op triathlon. Ze ging eerder dit jaar drie weken mee op trainingskamp naar Namibië: dan merk je hoeveel progressie ze kan boeken als ze alleen maar met de sport bezig is. We kunnen hier gelukkig heel open over praten. En ik heb vrede met haar keuze.”

Of Rani is staat is zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen, hangt volgens Meulenberg van een aantal factoren af. “Bij de dames is nu een grote lichting talenten, meer dan bij de heren. Rani zal flink aan de bak moeten om bij de besten te horen, maar ze heeft in Kaapstad laten zien dat ze heel veel in haar mars heeft. Verbeterpunten zijn er genoeg, maar dat weet ze zelf als geen ander. Wat ik in elk geval heel leuk aan haar vind, is dat ze altijd een lach op haar gezicht heeft.

Dit artikel verscheen in Transition Magazine #15
Beeld: Renée Tijdink

Laat een antwoord achter

Je e-mail adres wordt niet gepubliceerd.