De Cévennen, een natuurgebied in Zuid-Frankrijk, wordt door Nederlanders nog niet gezien als populair fietsgebied. Verrassend, want het beste wielerboek ooit geschreven speelt zich af in deze adembenemende regio.

‘Meyrueis, Lozère, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit mijn auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegheid van die levens schokt me.’ Het zijn de eerste, beroemde zinnen uit De Renner. Als je de woorden nog niet kent, neem ze dan goed tot je. Elke wielerliefhebber zou deze passage uit de pen van Tim Krabbé (75) van buiten moeten kennen. De roman, waarin Krabbé deelnemer is aan de Ronde van Mont Aigoual, speelt zich af in de Cévennen.

Krabbé leerde het gebied in 1971 kennen dankzij een voormalige geliefde. Haar ouders bezaten een huis in de regio. “Ik fietste nog niet”, zegt Krabbé wanneer hem gevraagd wordt naar zijn verknochtheid aan de Cévennen. “Ik zat al wel langer tegen het kopen van een fiets aan. Tijdens die vakantie beleefde ik het triviale moment van een passerende wielrenner die omhoog reed. Dat wil ik ook, dacht ik. En ik deed het.”

Teruggluren in de tijd

Transition reisde af naar Meyrueis om te kijken of de levens van de toeristen en inwoners zo leeg zijn als Krabbé beweerde. Het dorp met 800 inwoners is door het beekje Le Béthuzon in tweeën gespleten. De oude kern kent smalle en verouderde straten. De meeste bezoekers brengen hun tijd door op de terrassen aan de andere kant van Le Béthuzon. Wielrenners zijn schaars en worden daarom nauwkeurig bestudeerd.

Toch ligt dit dorp in een van de mooiste fietsregio’s van Europa. Het ruige landschap is getekend door de natuur. Flinke rotspartijen worden afgewisseld met hoogvlaktes en onbegaanbare bossen. In de driehoek Anduze, Meyrueis en Sainte-Enimie liggen desondanks geplaveide wegen waar kuilen en groeven een uitzondering zijn. Ook dorpen en gehuchten zijn niet dik gezaaid. In de Cévennen kun je een uur fietsen zonder een mens of een huis te passeren. De dorpen zijn vrijwel zonder uitzondering van ongekende schoonheid. Het is alsof je langs een gordijn terug in de tijd mag gluren. Je voelt je betrapt als een inwoner je ziet passeren. Elk dorp is een soort openluchtmuseum waar je zonder te betalen kan rondkijken.

“In de Cévennen wordt ook getoeterd, misschien nog wel harder dan in Nederland. Maar dit ritmisch claxonneren gaat gepaard met een opgestoken duim of een symbolisch applaus.”

Ook het verkeer maakt de Cévennen tot een geschikt gebied voor een trainingskamp. De gedragscode voor automobilisten lijkt tegenovergesteld van het Nederlandse doen en laten. In ons land wordt agressief getoeterd en vervolgens wordt een middelvinger opgestoken naar wielrenners. In de Cévennen wordt ook getoeterd, misschien nog wel harder dan in Nederland. Maar dit ritmisch claxonneren gaat gepaard met een opgestoken duim of een symbolisch applaus.

Genieten van de stilte

Krabbé is bekend met de aanmoedigingen van de Fransen. “Veertig jaar geleden deden ze hetzelfde. Alleen riepen ze er toen steevast ‘Allez pou-pou’ achteraan. In elke wielrenner werd een nieuwe Raymond Poulidor gezien.” De wielrenner wordt omarmd, misschien wel omdat er relatief weinig wordt gefietst.

Klimmetjes zijn er in overvloed en in verschillende lengtes en stijgingspercentages. Een blik op Strava bevestigt de gedachte dat tijdens de zomermaanden een veelvoud aan wielertoeristen liever een KOM-poging doet op Alpe d’Huez en Mont Ventoux dan op Mont Lozère of Mont Aigoual, de hoogste toppen van de Cévennen. Krabbé, telg uit een francofiele familie, wil dat eigenlijk wel zo houden. “Ik geniet in de Cévennen van de stilte, van de kleuringen van het landschap, de ruige gebieden en de uitgestorven dorpen. In het noorden komt geen mens. In de jaren ‘70 was het nog veel stiller, naar mijn idee komen er steeds meer campings bij. Jammer. Ik vind pas iets heel mooi als ik het voor mezelf heb.”

Nooit in het Frans

De Renner maakte niet alleen in Nederland een vlucht. Het boek kreeg verschillende vertalingen, maar verscheen nooit in het Frans. Ook in de verschillende souvenirwinkels van Meyrueis is geen spoor te vinden van het wielerboek uit 1978. Krabbé: “Dat is het gevolg van een aanvaring met een Franse uitgeverij. Ik wilde eerst de proefvertaling goedkeuren voordat ze het uitgaven.

 

Van ‘doodgaan’ hadden ze in de vertaling ‘de pijp aan Maarten geven’ gemaakt. Dat wilde ik niet. De uitgever zei dat hij de tekst een beetje op wilde fleuren. Ik reageerde als door een adder gebeten: ‘Wat nou opfleuren? Ik wil dat niet.’ De uitgever vond mij een zeur en zei dat mijn Frans niet toereikend was om te oordelen over de vertaalde tekst. Enorme kul natuurlijk, mijn Frans is uitstekend.”

Niet winnen

In De Renner wordt de Ronde van Mont Aigoual, een heerlijke klim van meer dan 20 kilometer die nergens echt steil wordt, beschreven. Krabbé wist voor die koers al dat het moest uitmonden in een boek. “Als schrijver wilde ik een raamvertelling maken van een koers. In de Cévennen reed ik regelmatig wedstrijden. De enige voorwaarde die ik mezelf gesteld had, was dat ik de wedstrijd niet mocht winnen. Dat zou namelijk echt walgelijk zijn. Wat een weerzinwekkend persoon zou mij dat maken.”

“Het gebied ken ik net zo goed als mijn eigen achterland. Ik kan er niet meer verdwalen. Dat is jammer.”

Het gebied blijft een terugkerend thema In het leven van Krabbé. Na zijn eerste wielerleven keerde hij in 2003 terug om aanwezig te zijn bij de Ronde van Tim Krabbé ter ere van 25 jaar De Renner. Het directe gevolg: Krabbé, die zelfs nu op zijn 75e het liefst nog sprint bij elk plaatsnaambordje, ging nog eens acht jaar koersen bij de veteranen. “Ik was bij mijn eigen ronde boos dat ik die mensen op mijn weggetjes zag rijden. Toen ik thuiskwam in Amsterdam ging ik direct op de weegschaal staan. 110 kilo gaf het apparaat aan. Ik besloot me weer suf te trainen zodat ik een jaar later mee kon doen aan mijn eigen ronde. In mijn geval leidde literatuur tot werkelijkheid. Meestal is dat andersom.”

Blokken van spieren

Het ongekende fanatisme zit veertig jaar na De Renner nog steeds in elke zenuw van zijn lijf. Onder de gerimpelde huid van zijn benen zitten nog blokken van spieren waarmee Krabbé niet onderdoet voor een doorsnee dertiger. Geïrriteerd wacht hij op verkeerslichten, plaspauzes zijn een ramp voor zijn gemiddeldes en hij kan een kleine glimlach niet onderdrukken als iemand uit zijn wiel moet lossen. Hoewel Krabbé nog zeker vijftien keer terugkeerde in de Cévennen na de Ronde van Mont Aigoual, lijkt hij er nooit meer te gaan fietsen. “Het gebied ken ik net zo goed als mijn eigen achterland. Ik kan er niet meer verdwalen. Dat is jammer.”

Drie routes in de Cévennen
Transition selecteerde voor jou drie fietsroutes in het gebied waar De Renner zich afspeelt. Natuurlijk zit daar ook het wedstrijdparcours uit het boek bij!

Route 1 – Mont aigoual
In De Renner beschrijft Tim Krabbé de Ronde van Mont Aigoual van 1977. Krabbé is zelf deelnemer en zijn tegenstanders in het boek zijn echte personen of samengestelde personages. De Mont Aigoual vanuit Meyrueis, het tweede lusje van deze route, is een beklimming van 28 kilometer en niet heel steil. Bovenop ‘de regenberg’ is een weerstation gevestigd waar veel toeristen komen voor het waanzinnige uitzicht. Het laatste stuk is een lange afdaling zonder echte haarspeldbochten. 

Route 2 – gorges du tarn
De Gorges du Tarn is een prachtige kloof in de Cévennen. Deze route volgt de rivier die de kloof ooit gevormd heeft. Het is in wezen 63 kilometer aan waanzinnige natuurverschijnselen. De mooiste pitstop is te maken in Saint-Chély-du-Tarn, een eeuwenoud gehucht met smalle straatjes en een waterval. De route is niet heel uitdagend gezien de geringe hoogteverschillen, maar des te geschikter voor een duurrit. Wanneer je liever een ronde fietst is afslaan in Sainte-Enimie je beste optie. 

Route 3 – mont lozere
In deze route zit veel meer uitdaging. De bijna 100 kilometer leiden je door een uitgestorven gebied van de noordelijke Cévennen. Krabbé spreekt hier met veel liefde over. De wielrenner die hier gaat fietsen moet van klimmen houden, want er staan ongeveer 2.000 hoogtemeters op het programma. Mont Lozère is het hoogste punt van de Cévennen, net iets hoger dan Mont Aigoual, en is onderdeel van deze ronde. Allez pou-pou!



Dit artikel verscheen in Transition Magazine #17
Beeld: Thomas Sijtsma, Casper Rila