Ze wonen verspreid over de hele wereld – in Barcelona, de Verenigde Staten en Maleisië – maar Dwight Senduk, Christina Draijer en Willehard en Jane Wortelboer hebben allemaal hetzelfde doel: vlammen op het WK in Rotterdam. Maar hoe doen ze dat, wonen, werken en trainen waar het heel ander weer is dan bij ons of waar de triathlonverenigingen niet voor het oprapen liggen? Marcia Jansen, zelf woonachtig in Canada, zocht het uit. Het werden gesprekken met de nodige herkenning van expats onder elkaar.


Christina Draijer verruilde anderhalf jaar geleden Groningen voor een andere universiteitsstad: Ann Arbor in de Amerikaanse staat Michigan. Waar ze soms wel eens de gezelligheid van de teamcompetities mist.
“Ik heb mijn studie biomedische wetenschappen en ook mijn promotieonderzoek in Groningen gedaan. Ik wilde altijd al graag een tijdje in het buitenland wonen, zien hoe het zou zijn om in een andere cultuur te leven, dus toen ik de kans kreeg om hier aan de Universiteit van Michigan onderzoek te komen doen, hebben mijn man Frank en ik die met beide handen aangegrepen”, vertelt Christina. “Er waren ook wel mogelijkheden in Europa, maar het onderzoek hier in Michigan sloot precies aan bij mijn promotieonderzoek – naar astma op celniveau – en het is een voordeel dat hier Engels wordt gesproken. In een andere taal zou dat toch lastig worden.”

“Teamcompetities bestaan hier niet. Dat mis ik wel, de gezelligheid om samen met anderen naar een wedstrijd te gaan. Wat ook anders is, is dat er hier wel een club is, maar er wordt niet echt georganiseerd getraind.”

De 29-jarige Draijer kwam in 2014 via haar man in aanraking met de triathlonsport. “Ik deed aan hardlopen en was lid van de studentenatletiekvereniging en Frank trainde al een tijdje bij GVAV/Tritanium en zo liepen we elkaar op de baan tegen het lijf. Ik hield van mountainbiken, dus deed ik een keer mee aan cross-duathlon en het leek me ook leuk om eens een triathlon te proberen. Ik kon alleen niet zwemmen. In Groningen werden er door de studentensportvereniging ook borstcrawlcursussen aangeboden en daar heb ik de basis gelegd. Nu vind ik het hartstikke leuk, vooral zwemmen in open water vind ik helemaal fantastisch.”

In Nederland maakte ze een jaar deel uit van het eerste divisieteam van Tritanium. “In 2014 deed ik mee aan vier triathlons en in 2015 waren dat er al twaalf, vooral sprints. Ik hou van het korte werk, om voluit te gaan, en dan is een uur precies lang genoeg om dat leuk te vinden. Nou ja, achteraf dan. Hier in Michigan doe ik trouwens veel minder wedstrijden. De inschrijfgelden zijn hier een stuk hoger. Honderd dollar voor een sprint triathlon is heel gewoon. De eerste wedstrijd waarin ik aan de start kwam, samen met nog 400 andere vrouwen, won ik meteen. Al is dat me daarna niet meer gelukt. Wat me opvalt is dat het fietsen in Nederland van een veel hoger niveau is dan hier. Daar pak ik dan ook mijn winst. Al lopen ze in Amerika over het algemeen dan weer harder.”

Triathlon is in Amerika vooral een individuele sport, heeft ze inmiddels ondervonden. “Teamcompetities bestaan hier niet. Dat mis ik wel, de gezelligheid om samen met anderen naar een wedstrijd te gaan. Wat ook anders is, is dat er hier wel een club is, maar er wordt niet echt georganiseerd getraind. Mensen spreken af om samen te gaan zwemmen, lopen of fietsen, maar dat gebeurt niet onder leiding van een trainer zoals we dat in Groningen gewend waren. Dat misten we wel, dus hebben we naar andere mogelijkheden gekeken. Ann Arbour is dé zwemstad van Amerika, met veel zwembaden en trainingsfaciliteiten en een speciaal programma voor masters waar we ons bij aan hebben gesloten en verder trainen we bij een atletiekvereniging.”

Fietsen doet het stel wel weer gezamenlijk met hun triathlonclubgenoten. Al bleek in Ann Arbor dat fietsen in Amerika toch iets heel anders is dan in Nederland. “Alleen fietsen vind ik niet fijn. De wegen zijn hier niet ingericht op fietsers. Er zijn geen fietspaden en je rijdt dus gewoon tussen het verkeer op een drukke weg. In een groep val je dan ook meer op, en dan voel ik me ook veiliger. Er zijn atleten die er voor kiezen om in het park te fietsen, maar dan fiets je dus telkens heen en weer, dat is vrij saai. We hebben trouwens sowieso moeten wennen aan de autocultuur hier. We wonen in het centrum van Ann Arbor en we dachten heel naïef dat we het dan wel zonder auto af zouden kunnen. Ik fiets wel iedere dag naar mijn werk – behalve als de temperatuur erg zakt – maar boodschappen doen op de fiets is er hier niet bij. Supermarkten zijn allemaal aan de rand van de stad zodat iedereen zijn auto kan parkeren. Na een half jaar hebben we dan toch maar een auto gekocht.”

Christina merkte ook dat de lange afstand erg populair is in de States. “Iedereen traint hier voor een halve of een hele Ironman. Uiteindelijk heb ik me om laten praten om ook een halve te doen, maar ik vind het korte werk toch leuker. Vooral stayerwedstrijden, maar die heb je hier vrijwel niet. Vorig jaar zijn we speciaal naar New Orleans gegaan om mee te doen aan de US Qualifier voor Rotterdam. Toen werd alleen het zwemmen afgelast, dat was wel een teleurstelling. Hier in Amerika is deelname van agegroupers aan kampioenschappen een ding. Zo zijn wij ook aangestoken. En bij toeval kwamen we er vorig jaar achter dat het WK dit jaar in Rotterdam is. Dat is uniek, dus daar wilden we natuurlijk bij zijn.”


Dit artikel verscheen ook in Transition Magazine #11

Lees ook de twee andere artikelen in deze miniserie:
Dwight Senduk (Spanje)
Willehard en Jane Wortelboer (Thailand/Maleisië)