In Transition 10 vertelt André Cats, Technisch Directeur van de KNZB over zijn ervaringen met triatleten. Cats, die als zwemtrainer aanwezig was bij de Spelen van 1996 in Atlanta, maakte de triathlonsport al in de jaren negentig van nabij mee. Recent maakte hij opnieuw kennis met onze sport, als prestatiemanager van NOC*NSF en als Chef de Mission tijdens de Spelen van Rio, waar paratriathlon voor het eerst op het programma stond. Wij vroegen Cats om een paar tips voor jouw zwemtrainingen

Zo worden zwemtrainingen voor triatleten leuker

Veel triatleten ervaren zwemmen als het moeilijkste (en daardoor vaak het minst leuke) onderdeel van de triathlon. Zwemmen ís ook het meest technische onderdeel van de drie sporten, zegt André Cats. Hij begrijpt dat het soms lastig is om gemotiveerd te blijven, maar dat is vrij eenvoudig te voorkomen. “Je kunt zwemmen meetbaar maken, zonder dat je daarbij een 3D-camera nodig hebt of allerlei labonderzoeken moet uitvoeren: tel je slagen, klok je tijd.” Ook vindt hij dat triatleten tijdens trainingen iets meer kunnen variëren, onder meer door wedstrijdspecifieker te trainen.

Tip 1: Tel je slagen

Stel, je hebt een zwembad van 25 meter lang. De eerste vier meter zet je af, dus houd je 21 meter over om daadwerkelijk te zwemmen. Hoeveel slagen heb je nodig om die 21 meter te overbruggen? In het begin heb je misschien 22 slagen nodig om aan de overkant te komen. Dat betekent dat je per armslag ongeveer 95 centimeter vooruitkomt. Probeer van die 95 centimeter nou eens 1.20 meter te maken, zodat je uiteindelijk misschien zeventien slagen nodig hebt. Hoe? Door stap voor stap je techniek te verbeteren: van juiste ligging en rustige ademhaling tot hoge elleboog en zo maximaal mogelijk water pakken en doorhalen. Zo haal je gegarandeerd meer rendement uit je slagen.  Wanneer zeventien slagen je maximum is, kun je proberen je tijd met een seconde (of twee) te verbeteren. In elk zwembad hangen genoeg klokken.

Tip 2: Boots zwemstart na in zwembad

Het is een bekend gezicht: acht à tien triatleten van ongeveer hetzelfde niveau die bij elkaar in de baan liggen en – onder toeziend oog van een trainer – hun schema afwerken. De snelste voorop, de minst snelle achteraan. Op zich niks mis mee, vindt Cats, maar tijdens een triathlonwedstrijd gaat het er natuurlijk heel anders aan toe. Cats: “Zeker de eerste meters is het klappen krijgen en klappen uitdelen. Ga voor de verandering eens met z’n achten naast elkaar in de baan liggen, in plaats van achter elkaar. En leg aan het einde van de baan een boei in het water. Laat de trainer op een fluitje blazen, boots een zwemstart na en ga met z’n allen om die boei heen. Een kwartiertje per veertien dagen is voldoende. Ik weet zeker dat je winst behaalt uit dit soort trainingen. Bij mooi weer kun je deze oefening natuurlijk prima voortzetten in open water.”

Lees ook het interview ‘Triathlon door de zwembril van André Cats’


Dit artikel verscheen ook in Transition Magazine #10