André Cats is een zwemliefhebber in hart en nieren. Als trainer maakte hij de stap van clubniveau naar internationale toernooien. Na zijn eerste KNZB-periode was hij acht jaar lang de drijvende kracht achter de paralympische ambities van TeamNL en zag hij onder andere paratriathlon succesvol debuteren in Rio. Nu is Cats terug bij de Zwembond, als Technisch Directeur. Een gesprek over triathlon, bekeken door een zwembril.

Soms moet André Cats gniffelen, wanneer hij triatleten over het gewicht van schroefjes van bidonhouders hoort praten. “Liever een schroefje van 2,5 gram, dan een schroefje van 5 gram”, zeggen ze dan. Want hoe lichter de fiets, hoe sneller je gaat. Of ze hebben het over de stand van de linkerpink, die tijdens het zwemmen vijf graden te veel naar binnen staat. Overdreven? Een beetje, glimlacht de 48-jarige Cats, sinds 1 november 2016 Technisch Directeur van de Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB).

Hoofd- en bijzaken

“Veel triatleten kunnen zichzelf aardig verliezen in details. Ik vind het prachtig om te zien hoe bezeten sommige triatleten met zulke kleine dingen bezig kunnen zijn, maar details worden pas relevant als je de basis op orde hebt. Ze halen hoofd- en bijzaken nogal eens door elkaar. De stand van je pink kan misschien uitmaken, maar focus eerst op ligging, hoofdhouding en ademhaling, om een paar belangrijke aspecten van het zwemmen te nemen.”

Cats’ eerste echte kennismaking met triatleten en de triathlonsport was in het begin van de jaren negentig. Hij was op dat moment zwemtrainer bij de Drachtster Zwem & Polo Club (DZ&PC). Cats werd benaderd door een stelletje enthousiaste triatleten tussen de dertig en veertig jaar oud. “Ze konden alleen de schoolslag, maar wilden dolgraag borstcrawl leren. Bloedfanatieke mannen waren het. Volgens mij hadden ze alle beschikbare zwemboeken gelezen, nog meer dan ik. Aan theoretische kennis ontbrak het ze in elk geval niet. Maar ja, ze hadden iemand van de praktijk nodig. Ze vroegen of ik ze kon helpen. Ze stonden er ook op om mij te betalen. Want kwaliteit kost geld, vonden ze. Ik kan me niet meer herinneren hoeveel ze me uiteindelijk betaalden, maar het was erg leuk om te doen.”

Cats heeft in die periode zelf ook een paar keer een achtste triathlon volbracht. Terugblikken op die wedstrijden heeft volgens hem weinig zin, lacht hij. Cats kwam weliswaar als een van de eersten het water uit, maar werd vervolgens door het merendeel van het deelnemersveld voorbijgefietst en gerend. Na zijn periode bij DZ&PC werd de Fries trainer bij Zwem- en Polovereniging De Waterkip (DWK) in Barneveld. Een keer in de week trainde de zwemselectie van DWK op Papendal. In die hoedanigheid leerde hij ook triatleet Menno Oudeman kennen. Oudeman, in de jaren negentig een verdienstelijk atleet, trainde een tijdlang met de DWK-selectie mee.

Vertrouwen op goede trainers

Cats noemt triatleten ondernemend, maar ook een tikkeltje eigenwijs. “Ze regelen hun eigen sponsoring, bijvoorbeeld in de vorm van een fiets. Ze organiseren hun eigen trainingsweekenden en zoeken hulp van buiten als het nodig is. Ze nemen vaak zelf het heft in handen, mooi om te zien. Zwemmers kunnen daar nog iets van leren. Het is echter belangrijk om niet té eigenwijs te zijn. Een goede kapitein kan alleen maar functioneren met goede mensen om zich heen: of het nu gaat om een stuurman, matrozen of technici, ze zijn allemaal even belangrijk voor die kapitein. Als er iets fout gaat in de machinekamer, heb je iemand nodig die het defect kan repareren. Met andere woorden: een triatleet die optimaal wil presteren, heeft goede loop-, fiets- en zwemtrainers nodig die hij of zij kan vertrouwen. Stel je daarbij leergierig op, durf vragen te stellen aan je coach, vraag om feedback.”

Als kind van twaalf trainde Cats zeven keer per week, ’s ochtends om half zes. “Dat klinkt misschien als veel en vroeg, maar daar was ik zelf totaal niet mee bezig. “Bij de junioren ben ik kampioen van Friesland geweest, meer zat er uiteindelijk niet in. Moeilijk om te accepteren, maar ik heb me er bij neergelegd. Maar al die trainingsuren in het zwembad neemt niemand mij meer af.”

Doordat hij als kind zo vaak in het zwembad heeft gelegen, gaat het zwemmen hem de rest van zijn leven makkelijk af. “Motorisch gezien leren kinderen in de leeftijd tussen de acht en veertien jaar het meest. Dat zijn dan ook de cruciale jaren om een goede zwemmer te worden. En dan bedoel ik natuurlijk niet de uren op de glijbaan bij het zwembad op de camping. Goed zwemmen is op latere leeftijd heus nog wel te leren, maar dan moet je heel planmatig te werk gaan en vooral ook keihard willen werken.”

De technisch directeur zwemt tegenwoordig een keer per week, al zou hij vaker in het zwembad willen liggen. “Ik denk veel aan sport, maar doe te weinig. Het komt er even niet van. Maar als ik eenmaal in het water lig, ben ik wel heel gelukkig.”

Weerstand en stuwing

Zwemmen is in de basis vrij simpel, doceert Cats. Meer dan je lijf, een zwembril, een zwembroek en een enorme bak water heb je niet nodig. Aan de andere kant is het een hele kunst om zo efficiënt mogelijk te zwemmen. “Je hebt als zwemmer te maken met twee grootheden: weerstand en stuwing. Om zo veel mogelijk stuwing te genereren, moet je dus met je armen en benen in de weer. Dat spartelen moet echter wel iets opleveren: rendement. Stel, iemand heeft een armwijdte van 1.80 meter. In theorie kan iemand met één armdoorhaal ongeveer 1.80 meter vooruitkomen. Dat kan alleen als er betonnen paaltjes in het water zouden staan. Die paaltjes zijn er niet: een zwemmer heeft alleen maar water om zich tegen af te zetten. Dan komt techniek om de hoek kijken. Een geoefende zwemmer komt met één armdoorhaal 1.20 meter vooruit, een minder goede zwemmer misschien zeventig of tachtig centimeter. De geoefende zwemmer is om meerdere redenen sneller: hij of zij heeft een hoge ellenboog, is in staat om efficiënter water te pakken en heeft bovendien meer gevoel met water.”

Zo op het eerste gezicht lijkt het zwemonderdeel bij triathlonwedstrijden op normale zwemwedstrijden in open water. “Fout”, zegt Cats. “De opbouw is het juist totaal verschillend”, vervolgt hij. “Ferry Weertman en Maarten van der Weijden, allebei Olympisch kampioen op de tien kilometer, beginnen hun race juist heel rustig. Altijd. Ze boemelen wat. Wanneer driekwart van de wedstrijd er op zit, gaan ze aan de boom schudden en beginnen ze aan hun eindsprint. Triatleten die een Olympische afstand doen beginnen die eerste 400 à 500 meter juist als een malle te zwemmen. Hun doel: een fatsoenlijke uitgangspositie. Vervolgens is het 1000 meter uitzwemmen en consolideren, zodat ze zo fris mogelijk kunnen wisselen.”

Kennis uitwisselen

Cats heeft zeer regelmatig contact met onder meer Rembert Groenman en Adrie Berk, respectievelijk directeur en technisch directeur bij de NTB. “We denken na over meer samenwerking. Dat gaat over het uitwisselen van kennis en trainingsmethoden, maar ook over de vraag hoe je met talenten omgaat en hoe je de jeugd kunt vasthouden. Veel zwemmers die de puberleeftijd hebben bereikt, stoppen er mee. Hoe kunnen we dat voorkomen? Ik denk ook dat zwemverenigingen en triathlonverenigingen beter met elkaar kunnen samenwerken dan nu het geval is. Ik zie de NTB en de KNZB dan ook helemaal niet als concurrenten van elkaar, integendeel.”

Cats noemt zwemmen een confronterende sport, veel meer dan bijvoorbeeld triathlon. “Een zwembad is altijd vijftig meter lang en je hebt nooit de stroming tegen. Als je tijdens een wedstrijd een mindere tijd neerzet dan de vorig keer, heeft het altijd aan jou gelegen. En nooit aan de omstandigheden. Je kunt tijdens het zwemmen niet tegen een verkeersbord knallen, om even iets geks te noemen.”
Wanneer triatleten een mindere tijd neerzetten, wordt ‘het arsenaal aan smoezen massaal opengetrokken’, glimlacht hij. Voorbeelden genoeg. “Ze werden door parcoursbewakers de verkeerde kant op gestuurd. Een hond stak over. Ze kregen een lekke band. Die onvoorspelbaarheid maakt triathlon zo leuk. En de sfeer rond een wedstrijd is prachtig om een keer mee te maken.”

Lees ook: Twee tips om zwemtrainingen leuker te maken

Dit artikel verscheen ook in Transition Magazine #10