Tijdens de Triathlon Amsterdam Nieuw West waagde Peter Heerschop zich voor het eerst aan een (sprint)triathlon. De 55-jarige cabaretier, acteur en programmamaker ging de uitdaging aan, kreeg sceptische reacties, raakte geblesseerd, maar zette toch door. Als een echte triatleet.

September 2015
Tijdens een etentje waarbij we heerlijk en goed aan de alcohol zaten werd ik uitgedaagd door Hans Makaaij – in die tijd nog locatiemanager van de ALO Amsterdam – om samen met hem een keer mee te doen aan een triathlon. Ik moest daar wel om lachen. Maar hij bleek serieus te zijn.

Een triathlon? Ik heb relaties stuk zien gaan op mensen die opeens vonden dat ze moesten gaan trainen voor een triathlon. Maar Hans bedoelde niet de hele triathlon. Zelfs niet de halve of de kwart. Hij bedoelde de sprinttriathlon. Ik zei: “Man, als je me nu even mijn zwemspullen en mijn fiets laat halen dan doen we hem nu gelijk.” Hij keek me minachtend aan en legde uit dat het officieel moest, met inschrijving en al. Op 5 juni 2016, in en rond de Sloterplas in Amsterdam, naast de ALO. De dag erna hebben we ons ingeschreven en zo gingen we het doen.

Hij hield me maanden lang met veel te grote regelmaat op de hoogte van hoe hard hij aan het trainen was. Ik was ook aan het trainen, maar anders. Ik sport mijn hele leven al elke dag. Als (voormalig) gymleraar is elke dag met een blessure of een andere vorm van bewegingstekort een mislukte dag. Dus elke dag wordt er iets gedaan. Maar nooit een triathlon. Wel onderdelen ervan.
SJ8_1049

Ik vind fietsen altijd al heel leuk en dat doe ik ook vaak. Zwemmen vind ik vooral leuk in buitenwater, dus dan moesten we wachten tot het water de juiste temperatuur had. Dat is altijd eind juni, dus daar kon niet echt op worden getraind. En lopen kon ik – in alle bescheidenheid – vroeger heel goed.

Ik legde Hans in de wekelijkse telefoongesprekken dan ook uit dat ik in mijn ALO-tijd – ik zat bij Axel Koenders in de klas – regelmatig de jaarlijkse Sloterplasloop bijna had gewonnen met een gemiddelde snelheid van 17 km per uur. Maar ik vertelde hem er niet bij dat ik de laatste jaren eigenlijk niet meer kon hardlopen omdat het kraakbeen in mijn linkerknie tot een nulpunt was genaderd en ook een operatie te weinig had opgeleverd. Ik vertelde dat eigenlijk ook niet aan mezelf want hé, die 5 km van de sprinttriathlon haal je altijd wel.

Maart 2016
Ik belde Hans nog even of het echt doorging, die triathlon van hem. En tot mijn tegenvallende verbazing was dat zo. Er moest dus echt iets gerichter getraind worden. Drie sporten achter elkaar. Daarom ging ik drie keer in de week naar de sportschool voor 20 minuten roeien, 20 minuten fietsen en 20 minuten op de crosswalker. (dat laatste moest omdat de loopband mij te slecht leek voor mijn knie) Ik koos roeien omdat het iets was met je armen en benen en het leek daarom op zwemmen. Ernaast heb ik veel gefietst. Trots vertelde ik aan vrienden dat ik aan het trainen was voor de triathlon. Ik zei er natuurlijk niet bij welke afstanden. Ik genoot namelijk best van de bewonderende blik in hun ogen gevolgd door “Jij?”

Mei 2016
Ja, er moest nu toch iets gerichter getraind worden. En gelukkig ging 1 mei het Flevoparkbuitenbad open in Amsterdam. Dus ik daarheen. Om even te voelen of ik nog kon zwemmen sinds vorig jaar en hoe ik op de kou zou reageren. Nou, de kou viel reuze mee – de eerste zes minuten – en het zwemmen ging nog moeizaam, maar daarvan wist ik dat het snel trainbaar was. Ik begon de eerste training met 1.500 meter, afwisselend baantje borst, baantje school. De tweede training 1.500 meter werd dat drie baantjes borst, één baantje school. De derde training 1 km borstcrawl.

En toen had ik het gevoel dat het wel goed zat. Het fietsen ook. Kortom, er zou toch een keer gelopen moeten worden. Voorzichtig een keer 3 km gedribbeld. Ging eigenlijk best wel goed. Nog maar een keer. Klein beetje dikke knie maar niet ontevreden. Dan maar een keer de drie onderdelen achterelkaar. Ik moet zeggen, dat was een enorme ervaring.

Ik deed heerlijk 20 baantjes in het zwembad, sprong op de fiets en knalde 20 kilometer fluitend door Waterland en toen moest ik hardlopen. Maar toen zeiden mijn benen. “Ja wacht eens even, wat ga jij doen. We kennen elkaar zo lang, maar dit heb je nog nooit gedaan, bekijk het lekker.” Ik heb 30 minuten gerend, maar kon eigenlijk de hele tijd nog steeds makkelijk mijn geparkeerde fiets zien staan. Dat was een tegenvaller. Want ik dacht dat ik al helemaal klaar was.

SJ8_1107Kortom, nu moest er echt worden getraind. De twee weken erna heb ik om de drie dagen een triathlon gedaan. En het werd steeds fijner. De knie leek zelfs iets beter te worden. Het enige waar ik nog last van had was de nazit van mijn theateroptreden waar we altijd nog een “één na laatste biertje namen op de mooie avond en het geluk dat we daar mochten optreden.”

Op het eind van de derde week van mei dacht ik zelfs, ik ga als training gewoon een keer een kwarttriathlon doen. Als dat gaat is de sprint helemaal een makkie. Ik moet zeggen, dat ging helemaal niet slecht, tot 7 km lopen en toen gaf mijn linker lies het op. Het was tien dagen voor ‘de wedstrijd’. Dat was echt balen. Zoals ik al zei, een gymleraar kan heel slecht tegen een blessure.

Juni 2016
Op 1 juni bel ik een half uur voor mijn optreden in Tilburg dat ik niet echt kan lopen en dat ik de wedstrijd moet afzeggen. Ik wil er gewoon niet meer aan denken. Andere keer beter. Of nooit. We zien wel. Maar Hans zegt. “Weet je wat, je komt gewoon naar de Sloterplas zondag. Je gaat zwemmen en fietsen en erna stop je ermee. Maar dan heb je wel de sfeer van de wedstrijd geproefd en dan zie ik ook goed hoe ik van jou ga winnen.” Kortom: Dan toch maar.

Op zaterdag 4 juni heb ik mijn laatste voorstelling van het seizoen. Dat zijn altijd bijzondere momenten, die laatste optredens. Maar ik ben de hele dag bezig met zoeken welke spullen ik moet meenemen naar de triathlon. Dat weet ik gewoon niet. Kortom, ik heb drie zwempakken, vier fietssetjes en voor de zekerheid toch ook maar twee paar loopschoenen en zes soorten shirtjes. Het optreden gaat goed. Toch maar een biertje. ’s Nachts kijk ik een hele bokswedstrijd van Mohammed Ali tegen Joe Frazier. Het is warm en ik slaap kort.

Dan is het 5 juni. De dag!

Vreemd genoeg heb ik er veel zin in. Zeker omdat ik weet dat ik het lopen zal moeten skippen. Ik meld me aan en fiets naar de wisselzone. Ik kijk mijn ogen uit. Ik voel aan alles dat ik echt een hopeloze beginner ben. Ik zie allemaal mensen in triathlonpakjes die ik vooral van televisie ken. Ik heb natuurlijk niet zo’n pakje. Ik heb voor elk onderdeel heel veel pakjes, maar niet deze. Ik zie hoe iedereen de fiets aan het zadel ophangt. Dat doe ik ook. En ik vraag een beetje om me heen wat zij precies aandoen met zwemmen. Ik heb mijn dikke pak van de Amsterdam City Swim in de grachten bij me. Ik word nog net niet uitgelachen, maar wel vooral gezien als cabaretier en niet als sportman. Dat doet best een beetje pijn. Want ik voel me veel meer sportman dan cabaretier.SJ8_1162

Vervolgens ga ik uitzoeken waar de start is. En hoe het parkoers gaat. Dat heb ik. Alle kleding die ik niet nodig denk te hebben leg ik apart.

We gaan beginnen. De start.

Het zwemmen. Het water valt best wel mee, vind ik. Maar het zwemmen niet. Kijk, ik ben best wat gewend met de zwemtocht in de grachten maar dit is een totaal gekrioel in het water. Mensen zwemmen dwars over elkaar heen. We moeten met zijn allen door een opening van twintig meter. Met een paar honderd man. Schoolslagbenen trappen mijn bril af. Ik word ondergeduwd door maaiende borstcrawlarmen. Ik zal je zeggen. Ik ben best een redelijke zwemmer maar met een vrouw op mijn rug die niet van wijken weet wordt het toch wel ingewikkeld. Eenmaal door de opening gezwommen gaat het beter. En lekker. Fijn, weer eens in buitenwater. De eerste keer dit jaar. Ik kan eindelijk genieten.

Dan het water uit. Moet je eerst een stuk rennen op je blote voeten. En dat zou ik juist niet doen. Maar goed. Prima, Stukje rennen. Ik zie mensen in één keer een pak uitglijden en dertig seconden later op de fiets zitten. Ik moet toch eerst even mijn pak uit, shirt aan, sokken, schoenen. Duurt toch een paar minuten. Ik hoor mensen besmuikt lachend wegtrappen.

Hop, op de fiets. Maar dat mag niet in de wisselzone. Van de fiets, lopen en eindelijk, daar gaan we. Het fietsen gaat geweldig. Voor het eerst in mijn leven is de hele weg afgezet, ook voor mij. Geen verkeer, alleen lekker draaien die trappers. Ik vind het geweldig. Het gaat ook heel goed. Enthousiaste mensen moedigen aan. Baal er enorm van dat het maar 20 kilometer is. Man wat is dit lekker. Na drie rondjes is het fietsen klaar. Dus mijn wedstrijd ook.

Maar dat wil ik niet. Ik wil door. Ik ga ook rennen, natuurlijk. Onwillige lies of niet. Ik wil dit niet missen. Aankomend op de fiets word ik bij de streep nog wel even uitgekafferd dat je na de streep niet meer mag fietsen en of ik nou echt zo stom ben.

SJF_1532Maar vanaf nu is alles bij mij een glimlach. Ik hang mijn fiets aan het zadel en ga rennen. Nou ja rennen. Joggen. Maar dat gaat prima. Ik schiet echt in de lach in de tweede bocht, waar twee meisjes van de organisatie keihard ‘aan staan te juichen’. Het is heerlijk weer. Het is langs de Sloterplas waar ik vroeger zo vaak heb gelopen. En ik doe een triathlon. Ik ga niet meer hard, maar heb wel al bedacht dat ik dit nog veel vaker ga doen. Als ik over de streep kom staat Hans er al. Hij heeft gewonnen. Dat klopt. Zoals aan hem beloofd speel ik zeer teleurgesteld.

Maar het eerste dat ik zeg is: “Ik wilde donderdagavond afzeggen, maar ik ben zo blij dat jij mij hebt overgehaald om toch gewoon te beginnen. Man, ik heb genoten.” En zo is het. Ik ga herstellen en zorgen dat ik dit nog veel vaker kan doen.

En ik weet nu ook wat ik aan moet trekken.


Tekst: Peter Heerschop
Beeld: Sonja Jaarsveld