Triatleten zijn geen wielrenners. Dat blijkt vooral in bochten en afdalingen. Hier wordt vaak nodeloos veel energie verspeeld. Wie een goede bocht rijdt verliest weinig snelheid en spaart energie voor de rest van de wedstrijd. Reden voor de NTB om de Spaanse bochten- en afdaalgoeroe Oscar Saiz in te schakelen.

Saiz was begin vorige maand drie dagen in Nederland om de bochtentechniek van de atleten van het NTC in Sittard bij te spijkeren. Tevens werd er een workshop georganiseerd waar Nederlandse triathlontrainers diens kennis in theorie en praktijk tot zich konden nemen. De voormalig downhiller geldt als een autoriteit op het gebied van bochten- en afdaaltechniek en wordt in die hoedanigheid door tal van Pro Tour wielerploegen ingehuurd.

En dus ook door de NTB, eerst tijdens een trainingsstage met de NTC-selectie in Zuid-Spanje eerder in het voorjaar en vervolgens in Sittard. Want hard fietsen is niet alleen het resultaat van snelheid en kracht, maar ook van een goede bochtentechniek. Dat levert gratis snelheid op en er hoeft minder vermogen geleverd te worden om weer op snelheid te komen. Op een bochtig parkoers geldt bovendien dat verlies van snelheid in de eerste bocht betekent dat je de volgende bocht(en) met minder snelheid in zult gaan. In stayerwedstrijden – waar je in een groep veelal niet de ideale bocht zult kunnen rijden – komt daar nog bij dat het vooral zaak is rustig te blijven.

10 tips

Saiz’ belangrijkste boodschap: Wees één met de fiets, blijf ontspannen en houd ten allen tijde controle over de fiets. Een goede bocht rijden is meer dan in de remmen knijpen en insturen. Enkele tips kunnen daarbij helpen.

Bochten1

 

 

1 – Kijk bij het naderen van de bocht of je moet afremmen en hoeveel je moet afremmen. Dit is voor elke bocht anders en is afhankelijk van je snelheid, je vaardigheid, de scherpte van de bocht en de omstandigheden van het wegdek (nattigheid!). Verken als dit mogelijk is vooraf het parkoers en probeer bochten op wedstrijdsnelheid te nemen.

 

Bochten2

2 – Remmen doe je zoveel mogelijk voor je een bocht ingaat en liefst niet in de bocht zelf. Remmen betekent namelijk dat je fiets rechtdoor wil. Gebruik bij het remmen vóór de bocht zeker ook de voorrem, maar alleen als je rechtuit gaat. Moet je toch remmen in de bocht zorg dan dat je lichtjes en gelijkmatig en alleen met de achterrem remt. Dit voorkomt dat je uit balans raakt. 

Bochten3

 

 

3 – De bocht rijd je door vanuit de buitenbocht in te sturen naar de binnenkant van de bocht om vervolgens weer helemaal aan de buitenkant van de bocht uit te komen. Door deze buiten-binnen-buiten techniek maak je de bocht ruimer, voorkom je onnodige correcties en heb je meer overzicht. Je ‘stuurt’ je fiets niet met je armen, maar met je benen en heupen.

 

Bochten4

 

4 – Houd in de bocht het pedaal aan de binnenzijde omhoog en het pedaal aan de buitenzijde omlaag. Zo voorkom je dat het binnenste pedaal de grond raakt en tegelijk kun je zo met je buitenste been druk uitoefenen op je buitenste pedaal wat de stabiliteit in de bocht verhoogt.

 

Bochten5

 

5 – Voor een goede balans in de bocht is het ook van belang om het lichaam in een rechte lijn met het frame te houden. Door meer achter op het zadel te gaan zitten breng je meer druk op het achterwiel. Dus niet als een motorcoureur overdreven met het bovenlichaam en de knie ‘open’ mee leunen in de bocht, want dan zal je eerder onderuit schuiven.

Bochten6

 

 

 

6 Kijk tijdens het nemen van een bocht niet naar de paar meter wegdek vlak voor je wiel, maar kijk altijd naar het einde van de bocht. Je stuurt namelijk bijna automatisch naar het punt waar je heen kijkt.

 

Bochten7

 

 

 

7 – Zit je in een bocht vlak achter iemand of wil je in een bocht iemand inhalen kies dan in een bocht naar links positie rechts van je voorganger en in een rechterbocht een positie links van degene voor je. Zo hou je het best overzicht op de bocht.

 

Bochten8

 

 

 

8 – Bij het uitkomen van de bocht probeer je je fiets zo snel mogelijk weer recht te krijgen om je snelheid te behouden.

 

Bochten9
9 – Bij regen (zeker na een lange droogteperiode) zijn putten en witte markeringsstrepen op de weg extra glad. Probeer deze zoveel mogelijk te vermijden, maar ga er zeker niet schuin overheen. Door de bandenspanning te verlagen krijg je in natte omstandigheden meer grip en door ruim voor de bocht even lichtjes te remmen maak je de remblokken droog, waardoor je bij het daadwerkelijk minderen van snelheid voor de bocht over meer remkracht beschikt.

 

 

Bochten10

10 – Hoewel niet iedereen evenveel aanleg heeft om mooie, strakke bochten te rijden is de bochtentechniek en een betere fietsbeheersing met regelmatig oefenen zeker te verbeteren. Een simpele oefening is het draaien van bochtjes op een parkeerplaats rond pilonnen die circa 15 meter uit elkaar staan, zodat je in een ovaal rijdt. Omdat iedereen een voorkeurszijde heeft bij het nemen van bochten, focus je vooral op je zwakste kant. Als dat goed gaat vervolg je met het draaien van 8-tjes rond de pilonnen.

En niet vergeten; oefening baart kunst!

Illustraties:Erik-Simon Strijk/Eero Design