Louis Delahaije werd de afgelopen tien jaar bij een breder publiek bekend als wielertrainer van onder meer Robert Gesink. Daarvoor had hij ruim tien jaar lang zijn sporen verdiend in de triathlonsport. In september 2014 keerde hij één dag per week terug op het oude nest, bij de Nederlandse Triathlon Bond. In twintig jaar tijd is er veel veranderd (maar soms ook niet).

Sinds deze winter heeft Louis Delahaije weer iets meer tijd om zich op de triathlonsport te richten. Eind vorig jaar kondigde de 49-jarige Limburger aan te stoppen als High Performance Manager bij de wielerploeg van Team LottoNL-Jumbo. “Ik heb dit nu een aantal jaren gedaan: technisch management, sporters begeleiden en met stages en wedstrijden meegaan. Vooral het management was niet echt mijn ding, ik werk liever rechtstreeks met sporters. Met Mathieu Heijboer, die ik zelf acht jaar geleden heb binnengehaald bij de ploeg, is er een opvolger die ook zelf aan die stap toe is.”

Nieuwe uitdaging
Delahaije wilde het zelf bovendien een jaartje wat rustiger aandoen. “Daar was ik wel aan toe.” Daarnaast zoekt hij een nieuwe uitdaging. “Na het seizoen 2012 wilde ik al stoppen, maar toen trok de Rabobank de stekker uit de mannenploeg en gingen we als Blanco en later Belkin verder. Ik wilde graag een bijdrage leveren aan het voortzetten van het team. Ook nu ga ik niet helemaal weg. Ik blijf trainer van drie renners, Robert Gesink, Martijn Keizer en Maarten Wynants, en ik zal de hoogtestages in de aanloop naar de Giro en de Tour begeleiden.”

Wat zijn nieuwe uitdaging moet worden weet de ervaren coach nog niet. “Die zou heel goed binnen de triathlonsport kunnen liggen, maar ook in de atletiek. Ik zal in ieder geval niet voor een andere wielerploeg gaan werken. Nergens anders zal ik mijn ei zo goed kwijt kunnen als bij dit team. Maar het kan zijn dat de huidige combinatie van triathlon en wielrennen zo goed bevalt en zoveel uitdagingen met zich meebrengt dat ik daarmee doorga.”

Zich weer meer met de Nederlandse triathlonsport bemoeien doet Delahaije graag. De terugkeer bij de NTB in 2014 was nog een noodgreep geweest, nadat zowel hoofdcoach John Hellemans als bondscoach olympische afstand Eric van der Linden kort na elkaar te kennen gaven bij het NTC in Sittard te stoppen. Met de aanstelling van Delahaije werd een oplossing gevonden. “Ik wilde graag wat terugdoen voor de sport waaraan ik alles te danken heb. Dat ik relatief snel met toppers kon werken is dankzij de triathlonsport. Daardoor zijn alle deuren voor mij opengegaan.”

Jong bondscoach
De triathlonbond gaf hem in 1995 de kans om op jonge leeftijd als bondscoach aan de slag te gaan. “Ik deed zelf aan hardlopen en triathlon. Hoewel ik een redelijke triatleet was – ik kon 32 minuten blank lopen op de 10 kilometer – was ik niet meer dan een subtopper. Achteraf was het maar goed dat ik als atleet niet goed genoeg was. Daardoor ben ik al vroeg begonnen met coachen; eerst een meisje uit de buurt en al snel vroeg atletiekvereniging AV Caesar of ik de club wilde begeleiden.”

Daar liep de net afgestudeerde bewegingswetenschapper veel jonge triathlontalenten tegen het lijf. De stap naar de NTB was daarna klein, eerst als juniorenbondscoach, maar al snel werd hij verantwoordelijk voor het traject naar de Olympische Spelen van Sydney in 2000, waar de triathlonsport voor het eerst op het programma zou staan. “Ik had tot die tijd nog weinig meegemaakt, had voor de eerste trainingsstage pas één keer gevlogen. Van het traject naar Sydney, ook wat daarin niet goed was, heb ik veel geleerd.”

“Trainingstechnisch is er met de kennis van toen niets misgegaan, maar selectiecriteria waren niet goed dichtgetimmerd en er waren onduidelijkheden over de rechten en plichten van selectieleden. Dat was ook niet mijn sterkste kant. Een technisch directeur zoals Adrie Berk, die nu dat soort zaken regelt, hadden we toen nog niet. Dat maakt echt een enorm verschil. Alles kwam eigenlijk op mijn schouders terecht, maar daar had ik geen tijd voor.”

“Richting Sydney heb ik vier jaar lang zonder rustmoment gewerkt. Al na drie jaar wist ik dat ik dit geen tien jaar ging volhouden. Daarom had ik al voor de Spelen aangegeven dat ik er daarna mee ging stoppen en een sabbatical zou nemen, ongeacht het resultaat. Na de wedstrijd kon ik zes weken lang geen boe of bah meer zeggen. Alle vermoeidheid kwam eruit. Nu probeer ik net als de atleten zelf ook mijn rustmomenten te pakken.”

Hoogte- en dieptepunt
De Olympische triathlon in Sydney draaide overigens uit op zijn grootste teleurstelling als coach. Nederland stond met drie mannen (Eric van der Linden, Dennis Looze en Rob Barel) en drie vrouwen (Wieke Hoogzaad, Ingrid van Lubek en Silvia Pepels) aan de start, maar een 25ste plaats voor Hoogzaad als beste klassering viel tegen. De kopvrouw was na een zware val tijdens het fietsen kansloos voor een topklassering, terwijl kopman Van der Linden bezweek in de plots opgelopen temperaturen in Sydney.

Toch ziet Delahaije het olympische traject – samen met het goud en zilver van Hoogzaad en Van Lubek bij het EK olympische afstand in 1998 – als een hoogtepunt in zijn carrière. “Als klein triathlonland stonden we zowel bij de mannen als de vrouwen toch maar even bij de beste zes landen van de wereld.”

Dat viel ook op in het buitenland en van 2001 tot en met 2006 was hij bondscoach bij de Duitse triathlonbond DTU waar hij samenwerkte met grote namen als Anja Dittmer, Joelle Franzmann, Daniel Unger, Andreas Raelert, Maik Petzold, Steffen Justus en Jan Frodeno. De echte grote successen van zijn werk met deze groep atleten – Unger werd in 2007 wereldkampioen, Frodeno in 2008 olympisch kampioen – maakte hij evenwel niet meer mee. “Er was een verschil van inzicht met de Sportdirektor. Toen kwam Theo de Rooy namens de Rabo wielerploeg langs of ik bij hen trainer wilde worden.”

Delahaije hoefde niet lang na te denken. “Toen ik rond mijn 21ste als trainer begon, was het mijn doel om wielertrainer te worden. Ik was altijd al een wielerfanaat. Als beginnend trainer was het mijn grootste droom om ooit een keer in een volgauto mee te mogen in de Tour de France. Nu ben ik bijna blij dat ik er dit jaar niet bij ben. Dat slaat natuurlijk nergens op, maar het went ook weer zo snel dat je er blasé van wordt.”

A happy athlete is a good athlete’
In zijn jaren bij de wielerformatie ontwikkelde hij zich steeds verder als coach. Alle presteren begint volgens hem met het motto ‘A happy athlete is a good athlete’. “Een topsporter is ook een mens en als je gelukkig bent kun je nu eenmaal dieper gaan en presteer je beter. Als het even niet gaat, zoals bij de vele tegenslagen van Robert Gesink, zeg ik tegen zo’n sporter: Ga gewoon lekker sporten, noem het geen training. Beetje bij beetje krijgen ze er dan vanzelf weer zin in en komen ze ook weer in de prestatiemodus.”

Kennis die Delahaije opdeed op het gebied van onder meer voeding (low carb training), vermogensmeting en wielertechniek- en tactiek vonden en vinden nu hun weg naar het NTC, onder meer via NTC-partners Daily Fresh en Pioneer. Voor een trainingsstage in maart is de Spaanse techniektrainer Oscar Saiz uitgenodigd. “Wedstrijden in de World Triathlon Series vinden op criteriumparkoersen plaats. Stuurtechniek en positionering zijn dan belangrijk om energie te sparen. Tactisch kan het soms ook beter: Dan zie je een mindere loper in een achtervolgende groep vol geven om een groep met alleen maar betere hardlopers in te halen. Dat is niet slim.”

Omgekeerd kan de wielersport ook van de triathlon leren. De belangrijkste les volgens Delahaije: het is effectiever om meerdere kortere trainingen op een dag te doen, bijvoorbeeld twee keer 2,5 uur fietsen in plaats van één keer 5 uur, zeker in combinatie met voedingsmanipulatie. “Daarin is met name de oudere generatie renners nog ouderwets.” Hij herinnert zich een hoogtestage van de (toen nog) Rabo-ploeg in Font Romeu, waar ook de Duitse olympische triathlonselectie trainde. “Terwijl de renners klaarstonden om te gaan fietsen, vertrokken de triatleten na het zwemmen voor een lange duurloop. Waren de renners met hun trainingsrit klaar, gingen de triatleten ’s middags nog eens fietsen. Dat dwong wel respect af.”

Vooral de begeleiding van het proces vindt hij boeiend aan zijn vak. “De grootste voldoening haal ik uit het proces van de atleet beter maken, om ze zo hard mogelijk te laten zwemmen, fietsen, hardlopen. Trainingstechnisch kan ik iemand in een week alle kennis overbrengen die ik heb, maar voor de mentale/psychische kant van de begeleiding heb je ervaring nodig. Dat ontwikkelt zich met de jaren. Dat is boeiend. Robert Gesink klaagde vorig jaar in de laatste week van de Tour de France over vermoeidheid, maar op Alpe d’Huez reed hij toch dezelfde vermogens als in de eerste week. Het lichaam kan vaak meer dan je denkt. ”

Trainer van de trainers
Al zijn ervaring deelt hij nu met NTC-coaches Jordi Meulenberg en Sander Berk. “Ik ben vooral de trainer van de trainers. Ik coach ze in hun werk, help bij het opstellen van een goed jaarplan en geef gevraagd en ongevraagd advies. Daarnaast zal ik waar mogelijk hen wat proberen te ontlasten, bijvoorbeeld door een aantal World Cups en WTS-races te begeleiden en tijdens de Spelen te assisteren. Jordi en Sander moeten op veel plekken tegelijk zijn. Dat lukt niet altijd. De mankracht van bijvoorbeeld de DTU of een wielerploeg, waar je vijf trainers, vijf masseurs, mecaniciens et cetera hebt, ontbreekt nu eenmaal.”

Dit neemt niet weg dat er in vergelijking met Delahaije’s tijd als NTB-bondscoach veel professioneler is geregeld. “De functie van Adrie Berk daarin is essentieel. Ik was destijds alleen maar met de top bezig, voor scouting of contacten met verenigingen was geen tijd. Dat is nu wel gestructureerd. Trainingstechnisch was in mijn tijd alles ook goed op orde, maar ontbrak een steunpunt zoals nu in Sittard waar atleten op één plek onder goede omstandigheden kunnen trainen. Dat wordt met de verhuizing deze maand van het NTC naar een meer inspirerende omgeving direct aan loop- en fietsparkoersen aan de rand van Sittard alleen maar beter.”

Op het NTC trainen de selectieleden samen. Niet iedereen zal de top halen, weet Delahaije. Hij trekt een parallel met de wielersport. “Kopmannen kunnen alleen presteren wanneer ze goed worden ondersteund door andere renners binnen de ploeg. Binnen het NTC zal niet iedereen de top kunnen halen, maar deze atleten zijn wel belangrijk om de atleten die dat wel kunnen daarin te ondersteunen. Je moet ook tijdens trainingen uitgedaagd worden. De dynamiek van het samen trainen met een leuke en sterke groep is essentieel om tot topprestaties te komen.”

“Wie uiteindelijk de top halen wordt naast de fysieke aanleg bepaald door intrinsieke motivatie en mentaliteit. Topsporters zijn speciale mensen die met druk om kunnen gaan, die doorgaan als het moeilijk wordt. Daar hebben we op het NTC ook een aantal van rondlopen en vaak wordt al het aantal trainingsuren gemaakt die toppers als Gwen Jorgensen en Jan Frodeno ook maken. De basisvoorwaarden zijn aanwezig, er is alleen tijd nodig om ze sterker te maken.”

Polarized training
Louis Delahaije zag in twintig jaar coaching en werken met topsporters veel nieuwe kennis ontwikkeld en wetenschappelijk onderbouw worden, maar op één gebied veranderde weinig. Of beter gezegd: Is weer naar oude inzichten teruggekeerd. “Mijn opleider en inspirator Dr. Eugene Janssen riep 25 jaar geleden al dat je zwart-wit moet trainen. Dus niet grijs. Dat wordt polarized training genoemd: Je traint rustig of je traint hard, maar niet ertussenin. Ik heb in de loop der jaren, onder meer door de opkomst van Conconi en het trainen op drempelwaarden, vele andere trainingsvormen geprobeerd, maar uiteindelijk blijkt dit toch het meest effectief. Dat wordt inmiddels ook door goed wetenschappelijk onderzoek onderbouwd.”

De trainingsmethodiek sluit ook aan bij de World Triathlon Series, die vraagt dat je vaker in vorm moet zijn en waarin wedstrijden steeds vaker – net als in het wielrennen – worden beslist op enkele momenten waarin een hoog piekvermogen moet worden geleverd. “Topvorm is de bereidheid om pijn te accepteren”, zegt Delahaije. “Dat is meer mentaal dan fysiek. Topwedstrijden worden er op beslist: Wie kan het beste omgaan met de pijn van vermoeidheid.”


Dit artikel verscheen eerder in Transition #1.