Zoals in elke sport bestaat er ook bij het zwemmen een legio aan stijlverschillen in de uitvoering en techniek. Dit wekt vaak nogal wat vragen en discussies op over welke stijl het beste is. In het zwemmen kan de borstcrawltechniek in drie unieke basisstijlen worden beschreven: de schouder-aangedreven stijl, de heup-aangedreven stijl en de romp-aangedreven stijl. Mike Bottom, de hoofdcoach van de Universiteit van Michigan, was de eerste die deze stijlverschillen duidelijk beschreef. De romp-aangedreven slag wordt door Bottom geassocieerd met een zwemstijl waarbij de armen gestrekt worden overgehaald in de contrafase en waarbij heupen en schouders beiden voor evenveel lichaamsrotatie zorgen. Deze wat ongenuanceerde zwemstijl wordt weinig in praktijk gezien, en laten we in dit stuk derhalve buiten beschouwing. We gaan verder in op de andere twee.

De heup-aangedreven techniek (ook wel glijslag genoemd)
Dit is een zwemstijl waarbij de slagfrequentie relatief laag ligt (in het wedstrijdzwemmen ca 60 – 70 slagen per minuut) en wordt voornamelijk gezien bij lange-afstandzwemmers zoals Yan Sun, Grant Hackett, Eric Vendt, Libby Tricket en Ian Thorpe.
Het voordeel van deze techniek is dat het lichaam in meer geroteerde positie ligt bij het inzetten van de stuwfase van de armslag (lees: catch) waardoor er meer kracht gezet kan worden. De arm “trekt” het lichaam vanuit een meer een zijwaartse positie, waarbij er grotere spiergroepen worden aangesproken (borst en rug). Het resultaat is dat er meer afstand wordt afgelegd per armslag. Kortom: een techniek met een grotere slaglengte en een lagere slagfrequentie.
Een ander voordeel is dat door de grotere slaglengte de focus ligt op stroomlijning en een rustige slag waardoor men de tijd heeft om ook op de uitvoering van de techniek te letten. Deze zwemstijl is hierdoor uitermate geschikt voor het aanleren en verbeteren van de zwemslag.
Deze techniekvorm ziet er ogenschijnlijk erg relaxed uit, maar vergt best wat kracht. Om snelheid te krijgen dient deze techniek gecombineerd te worden met een zestakt beenslag (zes beenslagen per armcyclus). De ademfrequentie ligt bij deze techniek gemmiddeld tot hoog: 1 op 4, 1 op 3 tot 1 op 2.

De schouder-aangedreven techniek (ook sprinttechniek genoemd)
Deze zwemstijl wordt gekenmerkt door een hogere slagfrequentie (80 tot 110 slagen per minuut), een kortere glijfase en snelle catch, waarbij de stuwbaan van de vorige arm nog net niet is afgerond. Dit fenomeen wordt “stuwoverlap” genoemd, wat betekent dat er bij elke armafwisseling een moment bestaat dat beide armen met de stuwfase bezig zijn. De nestor van deze techniek is de Tsaar van de zwemsprint, Alexander Popov en wordt voornamelijk aangehangen door de rasechte sprinters zoals Nathan Adrian, en Ranomi Kromowidjojo en Pieter van den Hoogenband (op de 50m en 100m vrije slag).
Door de snelle overname van de armslagen ligt de slagfrequentie veel hoger, maar hebben de heupen minder tijd voor rotatie. Deze stijl wordt voornamelijk gecombineerd met een zestakt of zelfs achttakt beenlag om een zo hoog mogelijke snelheid te verkrijgen. De ademfrequentie ligt bij deze techniek laag tot erg laag (1 op 4 tot zelfs 1 op 12) of meer op de kortere sprintafstanden.
Dat deze techniek slechts geschikt is voor de sprint is geen wetmatigheid. Er zijn voorbeelden te noemen van midden- en lange-afstandzwemmers die deze techniek aanhangen, zoals bijvoorbeeld Janet Evans, David Davies en Edith van Dijk. Bij de lange afstandzwemmers zien we dan vaak wel dat de beenfrequentie lager ligt, een viertakt.

De hybride techniek
Steeds vaker zien we zwemmers die de voordelen van de twee bovengenoemde hebben gecombineerd en zich een soort hybride techniek hebben eigen gemaakt. Hierbij wordt bij de ene armslag een heup aangedreven techniek toegepast, en de andere een schouder aangedreven techniek.
Het is te vergelijken als het “huppeltje” van schaatser Bart Veldkamp, en wordt inmiddels in het zwemjargon ookwel “the Gallop” genoemd vanwege de asymetrie in de slag.
Een ander kenmerk is dat deze techniek een sterke beenslag en hoge beenfrequentie vereist, terwijl er slechts aan een zijde wordt ademgehaald. De ademfrequentie is vaak hoog, 1 op 2. Deze techniek is uitermate geschikt voor een middenafstand: 200m tot 400m, maar wordt ook vaak door lange afstand- en openwaterzwemmers gebruikt bij de start en de eindsprint (die dan ook vaak tussen de 200m – 400m bedraagt). Zwemmers als Micheal Phelps, Paul Biedermann, Jason Lezak en Pieter van den Hoogenband (op de 200m en 400m) zwemmen in deze stijl.

Welke techniek is het beste voor jou?
Welke stijl het beste bij je past is afhankelijk van je zwemniveau maar ook van je persoonlijke eigenschappen. Zwem je de kilometer in 17 minuten of meer, dan is er hoogstwaarschijnlijk nog voldoende ruimte voor techniekverbetering. De heup-aangedreven techniek (de glijslag) zal dan hoogstwaarschijnlijk de beste keuze zijn. Deze stijl geeft je meer rust en stabiliteit in de slag en geeft je meer tijd om te focussen op je zwemtechniek.
Ben je een snelle zwemmer (die de 1km binnen de 15 minuten zwemt) dan zou je goed kunnen overwegen om je de hybride stijl eigen te maken. Dit zal je op de achtste en de kwart triathlon nog wat meer snelheid geven, en kan je bij langere afstanden inzetten bij de start, en bij inhaalmanouvres.

De schouder aangedreven techniek zou ik niet willen voorschrijven voor een triatleet, tenzij men hier specifieke aanleg voor heeft; ben je klein van stuk en is bijvoorbeeld met het lopen je pasfrequentie van nature hoog, dan is de kans groot dat je aanleg hebt om ook bij het zwemmen in een wat hogere frequentie te zwemmen.

Ferry Weertman is op dit moment Nederland’s snelste open-waterzwemmer. Afgelopen maandag zwom hij op het WK zwemmen in Barcelona de top-tien binnen met een zesde plaats op de 10Km in een tijd van 1:49:20. Dat zijn 10 rondjes van gemiddeld 10:54 op de kilometer, en dat zonder wetsuit. Hier gaan we ongetwijfeld meer van horen. De NOS maakte een reportage van Ferry’s laatste training daags voor deze race. Schitterende beelden van een op het oog perfecte glijslag, een hybride stijl tijdens zijn sprintjes en onderwaterbeelden van een supersnelle boeironding. Dit alles onder een felle zon in een vrijwel rimpelloze Middellandse Zee, een genot om naar te kijken, zeker voor een zwem- en techniekfetisjist, zoals ik.