Een sport in ontwikkeling

Triathlon was altijd een ‘kleine’ sport. Dat is het nog steeds, al begint er verandering te komen in de mate van professionalisering. Die zit namelijk in de lift, en daar heeft de komst van de Eredivisie een grote bijdrage aan geleverd.

De invoering van de Eredivisie in 2012 was een groot succes. Eindelijk was het niet meer alleen maar vrijblijvend ‘losse’ wedstrijdjes doen, maar konden verenigingen zich met elkaar meten. Nieuw hierin was de komst van commerciële teams, waarin sponsoren teams ondersteunen die bestaan uit triatleten van soms verschillende verenigingen. Triatleten die bijvoorbeeld van een heel kleine vereniging komen waar geen team te vormen is, of qua niveau uitsteken boven de eigen vereniging. Andersom gebeurt het ook: triatleten die om bovenstaande redenen aankloppen bij een vereniging met de vraag of zij in het Eredivisieteam kunnen starten.

Laten het nu net deze situaties zijn die onderwerp van discussie waren bij de verenigingsbeschouwing van de triathlonclub waar ik lid van ben. Het bestuur van deze vereniging besloot deze vragen eens in de groep te gooien. Dat leverde een interessante discussie op. Om met de vraag van ‘inkomende triatleten’ te beginnen: van het idee externe goede triatleten die niet lid zijn van de vereniging in het topteam te plaatsen, was niet iedereen gecharmeerd. Vanzelfsprekend worden deze triatleten wel lid, maar nemen zij niet actief deel aan het verenigingsleven. Gehoord: eigen talent zou gepasseerd worden, eigen potentiële teamleden gedemotiveerd worden, het verenigingsgevoel zou naar de achtergrond verdwijnen en de prestatie is nog het enige wat telt.

Wat betreft goede triatleten die voor commerciële teams starten waren de reacties wat gematigder. Vaak werd wel begrepen waarom, maar rijst wel de vraag hoeveel het je als vereniging waard is om deze atleten binnenboord te houden. Wat als je halve top voor een commercieel team uitkomt en je kansen op het podium verkeken zijn?

Ik vind het mooie voorbeelden van vraagstukken binnen een sport in ontwikkeling. Als je als vereniging mee wilt blijven doen om het podium en besluit ook topsport te willen aanbieden, is het dan logisch om extern talent aan te nemen (er is geen sprake van actief werven)? Of dien je te allen tijde je eigen talent voor te laten gaan en mag je van externen eerst verwachten dat ze actief lid worden en een bijdrage gaan leveren aan de vereniging voordat ze een plekje krijgen in het beste team? Ga je startgeld betalen om je eigen toppers voor je te laten starten als vereniging?

Wellicht zijn ontwikkelingen als deze slechts het begin. Krijg je een dynamische ‘bovenlaag’ waarin atleten verhuizen van het ene team naar het andere. Wordt er startgeld en prijzengeld betaald, wat hoog genoeg is om atleten die meedoen op internationaal niveau, (af en toe) te laten starten in Nederland. Gaan we toe naar Duits model, waar iedere versterking, zowel in- als extern, meer dan welkom is. Is dat niet heel erg goed voor de sport? Is dat niet waar een sport door groeit? Elementen die belangrijk zijn binnen verenigingen (sociale cohesie, vrijwilligerswerk, ‘platte’ structuur) komen dan wellicht onder druk te staan. Maar topsport geeft ook de breedtesport meer kansen: betere trainers, betere trainingen. Zoals de breedtesport de topsport meer (financiële) mogelijkheden geeft. Dat kan elkaar dus versterken.

Toch blijft het zo in de beginfase zoeken naar het juiste beleid. Verenigingen maken daar hun eigen keuze in en mijn club pakte het goed aan door er een open discussie van te maken. Ik ben benieuwd hoe andere verenigingen hiermee omgaan.

Anne Hendriksen
(dit artikel is eveneens verschenen op haar eigen weblog en is met toestemming doorgeplaatst)