Zuur in de benen, leeg rijden, de man met de hamer; atleten hebben net zo veel namen voor vermoeidheid als Eskimo’s voor sneeuw. Wellicht niet zo vreemd, de vermoeidheid in een sprint voelt immers anders dan die in een 5 kilometer race, en die is weer niet te vergelijken met een hele triathlon. Wat ze echter gemeen hebben, is dat je uiteindelijk op een punt komt waarbij je het oorspronkelijke tempo niet meer vol kan houden of zelfs moet stoppen. Maar waarom eigenlijk? Wat is dat, vermoeidheid?

Vermoeidheid tijdens inspanning wordt gedefinieerd als het verlies van de capaciteit om het gewenste vermogen te leveren. Door te stoppen met de inspanning wordt die capaciteit weer hersteld. In een sprint zijn de laatste seconden langzamer dan de eerste, in een marathon gaan de laatste 10 kilometer zelden zo hard als de eerste 10 kilometer. Kortom, met deze definitie van vermoeidheid maakt het niet uit welke inspanning je levert; ijkpunt is dat je niet meer het gewenste vermogen kan leveren (en dat dit vermogen wordt hersteld als je stopt met de inspanning).

Zo simpel als de definitie is, zo ingewikkeld en veelbesproken zijn de verklaringen voor vermoeidheid. Misschien wel één van de meest verhitte discussies binnen de inspanningsfysiologie is de vraag wat vermoeidheid veroorzaakt. Grofweg zijn de verklaringen in te delen in twee categorieën: de centrale en de perifere mechanismen. Met perifeer wordt bedoeld dat de oorzaak in de spier ligt, terwijl de centrale verklaringen het in de impulsen vanuit de hersenen zoeken.

Perifere mechanismen
Belangrijke perifere mechanismen zijn verstoringen in de activatie van de spiercontractie, tijdens de contractie zelf en na de spiercontractie. De precieze verklaringen zijn ingewikkeld, maar werken ongeveer als volgt. Om een spier te kunnen laten samentrekken, is calcium in de spiervezel nodig. Calcium wordt vrijgelaten als een zenuw een signaal naar de spier stuurt. Krijgt de spier te veel of te lang signalen, dan is er niet meer genoeg calcium beschikbaar en kan de spier niet meer goed samentrekken.

In het contractieproces zelf kan ook vermoeidheid optreden. Dit gebeurt als de eiwitten die voor spierverkorting zorgen niet meer zo goed hun werk kunnen doen, bijvoorbeeld als de zuurgraad in de spier verlaagd is door melkzuur. Ten slotte kan een verstoorde balans ontstaan in de spier tussen natrium en kalium, twee mineralen die belangrijk zijn om te zorgen dat de spier opnieuw een prikkel van een zenuw kan verwerken. Een ‘hongerklop’ (hypo’s of hypoglycemie) en een tekort aan suikervoorraad (glycogeen) in de spier beïnvloeden al deze bovenstaande processen omdat er energie nodig is om ze op gang te houden.

Centrale verklaringen
In scherp contrast met deze biochemische verklaringen voor het verminderde vermogen of zelfs totale falen van de spier, staan de centrale verklaringen voor vermoeidheid. Voorstanders van deze theorieën wijzen erop dat de perifere mechanismen niet verklaren waarom atleten een eindsprint eruit kunnen persen. Ook verklaren ze niet, waarom in de hitte atleten al onder de kritieke lichaamstemperatuur van 40⁰ Celsius (waarbij de meeste biochemische processen op het punt van falen staan) hun tempo aanpassen. Ze verklaren ook niet waarom een atleet aan het begin van een wedstrijd, nog voordat hij/zij vermoeidheid echt kan voelen, een bepaald tempo kiest en dat voor een groot deel van de wedstrijd vol zal houden.

Kortom, er lijkt door de hersenen een beslissing te worden gemaakt over het geschikte tempo en het is moeilijk om hier nog iets aan te veranderen. Waarschijnlijk heeft dit alles te maken met zelfbescherming. De spier zou nog wel harder kunnen werken, maar doet dit niet omdat het onherstelbare schade aan zou kunnen brengen. In noodsituaties – kom je als holbewoner een mammoet tegen of wil je als moderne mens de eindsprint winnen – kan er nog een schepje bovenop, maar dan bevind je je wel in de gevarenzone.

Praktijk
Welke theorie is nu correct? Zoals zo vaak ligt de waarheid waarschijnlijk ergens in het midden. De spieren sturen signalen over hun status naar de hersenen, die deze signalen vervolgens verwerken samen met input van andere factoren (o.a. temperatuur, motivatie en ervaring). Alle informatie tezamen leidt uiteindelijk tot de keuze voor een bepaald tempo.

Wat heb je hier aan in de praktijk? Door de juiste training kan je in elk geval zorgen dat de processen in de spier zelf zo soepel mogelijk verlopen. Training zorgt bijvoorbeeld voor meer en sterkere eiwitten die betrokken zijn bij spiercontractie, of een grotere opslag van glycogeen om de processen van energie te voorzien. Helaas lijkt extra inname van de genoemde mineralen (natrium, kalium en calcium) onder normale omstandigheden niet echt iets uit te halen. De voorraad is er wel maar kan simpelweg niet aangesproken worden. Voor glycogeen is dit uiteraard anders: met de juiste voeding en training kan je de glycogeenvoorraden goed op peil brengen voor die ene belangrijke wedstrijd.

Hersenen ‘trainen’
Je kan echter ook je hersenen ‘trainen’. Ook al is niet precies duidelijk welke signalen ervoor zorgen dat jij bij de start van de wedstrijd een bepaald tempo kiest, spelen motivatie en ervaring een belangrijke rol. Heb je eerder een bepaald tempo vol kunnen houden, dan is het een ‘veilige’ aanname dat je dat de volgende keer (onder dezelfde omstandigheden) weer kan doen. Slimme strategieën zijn: je bewust mee laten slepen door concurrenten, of supporters vragen te gaan staan op punten waar je motivatie het laagst zal zijn. Dat kan je net het laatste zetje geven om je tempo vol te houden of zelfs de eindstreep te halen.

Meer informatie en wetenschappelijke literatuur is te vinden op:
http://www.scienceintraining.com/kennisbank/


Auteurs: Guido Vroemen en Hanneke Boon (inspanningsfysioloog)
Dit artikel verscheen eerder in Triathlon Sport #4 (2011)