Zuurstofschuld is een in sportsituaties veelgebruikte term, die echter maar door weinigen echt begrepen wordt. Vaak wordt de term (bv. door sportverslaggevers) gebruikt als een atleet (te) hard gaat en vervolgens moe wordt en snelheid verliest. Dit is echter een onjuiste voorstelling van zaken.

Bij aanvang van (sportieve) inspanning worden diverse mechanismen in het lichaam in gang gezet om de spieren te voorzien van de energie die zij nodig hebben.
Algemeen werd lange tijd aangenomen dat – omdat de aerobe verbranding tijd nodig heeft om ‘op te starten’, energie geleend zou moeten worden bij de anaerobe verbranding. Na het stoppen van de inspanning blijft de ademhaling nog enige tijd boven het normale (rust)niveau. Gedacht werd derhalve dat men na afloop van de inspanning je de ‘zuurstofschuld’ nog moest terugbetalen. Deze theorie is echter onjuist gebleken. De verhoogde ademhaling na het stoppen van een inspanning heeft niks te maken met het ‘inlopen van een schuld’, maar is nodig voor de benodigde zuurstof bij de herstelmechanismen in het lichaam. In de inspanningsfysiologie spreekt men daarom niet meer van ‘zuurstofschuld’, maar van EPOC: Elevated Post-exercise Oxygen Consumption.

Maar wat beschrijven de sportverslaggevers dan als ze het hebben over ‘zuurstofschuld’? Niets meer of minder dan vermoeidheidsverschijnselen, die in de meeste gevallen het gevolg zijn van gebrek aan brandstof voor de spieren, onvoldoende aan- en afvoer van stoffen die nodig zijn voor resp. vrijkomen bij de verbrandingsprocessen in de spieren (bv. afvalstoffen, melkzuur e.d.) of verstoring van de zenuw-impulsen benodigd voor (gecoördineerde) spiersamentrekking en -ontspanning.