Veel toptriatleten scoren antropometrisch gezien (dus qua lichaamssamenstelling) het hele jaar door vrijwel hetzelfde. Dat is heel anders dan bij topschaatsers of zwemmers, waar het gewicht en het vetpercentage veel meer met pieken en dalen gaat, afhankelijk van het seizoen.

Het lijkt verstandig voor (top)triatleten om daar ook – net als de zwemmers en de schaatsers – wat meer variatie in te brengen. Daarmee voorkom je dat het lichaam het hele jaar door op de tenen moet lopen. Het probleem daarbij is dat triatleten zelfs in hun ‘rustperiode’ vaak nog erg veel trainen.

Het lijkt – ook voor triatleten – verstandig om aan het einde van het seizoen (of soms wellicht zelfs middenin het seizoen een ‘rustweek’) een echte rustpauze te plannen van 3 – 4 weken, met een reductie in training tot 20 – 30 % van de normale trainingsarbeid.

Gekoppeld aan bovenstaande is de constatering dat het lijkt alsof veel toptriatleten het hele jaar door goed zijn, in plaats van een klein deel van het jaar supergoed. Dit pleit voor het maken van soms rigoureuze keuzes in het wedstrijdprogramma. Durf te kiezen.