De Conconi-test (genoemd naar de Italiaanse professor Francesco Conconi) is een van de meest bekende trainingstesten. Deze kan echter inmiddels als achterhaald worden beschouwd.

Bij een Conconi-test wordt een relatie gelegd tussen loopsnelheid en hartfrequentie. Hiertoe wordt de snelheid om de 200 meter in geringe mate opgevoerd, en daarna constant gehouden. Dit is makkelijk gesteld, maar in de praktijk niet zo makkelijk uitvoerbaar. Telkens na afloop van elke 200 meter wordt de hartslag gemeten. Vervolgens wordt de snelheid een stapje opgevoerd en wordt weer na enkele minuten op die snelheid de hartslag gemeten. Na de test worden snelheid en hartslag in een grafiek tegen elkaar uitgezet. Het omslagpunt in de grafiek (die vanaf daar wat afvlakt) wordt geassocieerd met de anaerobe drempel (AND). Vanaf dit punt stijgt de hartslag niet meer evenredig met de toegenomen snelheid.

In de praktijk is de Conconi-test lastig uitvoerbaar en minder betrouwbaar. In de eerste plaats is het lastig om na elke 200 meter de hartslag snel te meten en weer door te gaan. In de tweede plaats is het moeilijk om de snelheid met constante stapjes op te voeren. Daarnaast – en belangrijker – is het zo dat de hartslag vertraagd reageert op de zuurstofbehoefte; 200 meter is te kort om de hartslag op een constant niveau te krijgen, en de meetresultaten kunnen daardoor een vertekend beeld geven.

Tegenwoordig wordt in plaats van de Conconi-test vaker de VIAD-test uitgevoerd, die eigenlijk een verbeterde versie van de Conconi-test is.

Lees ook onze andere artikelen over de verschillende testen die er zijn:

Wat is de 220-test?
Wat is de Ademfrequentietest?
Wat is de VIAD-test?
Wat is de lactaattest?
Wat is de Maximale Hartslagtest?
Wat is de Zoladz-test?
Wat is de RQ-test?
Wat is de ‘anaerobe drempel’?