Begin je net aan je eerste wedstrijd of ben je inmiddels een doorgewinterde triatleet? Met deze tips komt iedereen goed voor de dag.

Zwemmen

  • Stayeren bij het zwemmen is toegestaan. Maak er dus gebruik van. Door vlak achter iemand te zwemmen (zonder telkens zijn voeten aan te tikken) kun je voor jezelf wat kracht besparen. Zorg er wel voor dat je dat doet bij iemand die (net boven) jouw tempo zwemt, maar waak er vervolgens voor dat je daardoor niet verleid wordt tot een net iets te langzaam tempo.
  • De meeste triathlons vinden plaats in open water. Omdat je in open water maar al te snel koers verliest, is het zaak om richtpunten uit te kiezen (bomen, elektriciteitsmasten, drijflijn, boeien) en probeer daar zo recht mogelijk op af te zwemmen. Regelmatig kijken dus om niet teveel meters te maken.
  • Probeer jezelf aan te leren om aan twee kanten te ademen. Dit zorgt voor meer evenwicht in je slag waardoor je minder snel geneigd zal zijn om van koers te raken. Daarnaast heb je de mogelijkheid om aan twee kanten richtpunten te kiezen. Ook is het meer ontspannend voor je nek. En tot slot heb je dan de mogelijkheid om aan die kant te ademen waar dat qua golfslag het best uitkomt.
  • Probeer zoveel mogelijk technisch te blijven zwemmen, in plaats van op kracht. Zwemmen is het meest technische onderdeel in triathlon. Ook – of juist – in de wedstrijd is het zaak om je techniek vast te houden. Als je vermoeid bent, ben je geneigd om de aandacht voor je zwemtechniek te laten verslappen.
    – Probeer lange slagen te handhaven. Maak jezelf lang bij de insteek, zonder dat je jezelf uitstrekt. En maak je slag af door ook de duwfase volledig te benutten.
    – Houd je hoofd zoveel mogelijk in het water, en kijk ‘langs je wenkbrauwen’ naar voren.
    – Zwem ‘bergafwaarts’, door je gewicht zoveel mogelijk naar voren te plaatsen. Probeer je borst naar beneden te drukken. Hierdoor blijf je horizontaler in het water, waardoor je minder door het water sleept en ook je benen minder vermoeid worden.
    – Zorg ervoor dat tijdens de overhaal-fase van de arm terug naar voren je elleboog hoog blijft en je hand vlak boven het water blijft.
  • Gebruik je benen, met name tegen het einde van het zwemmen. Dit zorgt voor het op gang komen van de bloedcirculatie in je benen en ben je beter voorbereid voor het fietsen.

Fietsen

  • Gebruik bij vlakke ritten je opzetstuur zoveel mogelijk, omdat dat je aerodynamisch voordeel oplevert. Zorg er wel voor dat je rugspieren in de training gewend zijn geraakt aan de (diepere) positie. In trainingen is het gebruik van het ligstuur soms te ontraden, bijvoorbeeld als je in een groep rijdt, of op een drukke weg.
  • Probeer zoveel mogelijk een pedaalcadans tussen de 90 – 100 omwentelingen per minuut aan te houden. Deze cadans is optimaal voor duurinspanningen. Een te zwaar verzet (en daardoor een te lage cadans) is vaak minder efficient. Daarnaast betekent het onnodige belasting van de beenspieren (en die heb je bij het lopen nog hard nodig), en is blessuregevoeliger.
  • Schakel tegen het einde van het fietsen ietsjes lichter, om op die manier je benen alvast wat ‘los te schudden’ voor het lopen.

Lopen

  • Zorg dat je bij het wisselen van schoenen geen zand of andere dingen die blaren kunnen veroorzaken aan je voeten blijven hangen.
  • Neem in de eerste meters van het lopen wat kleinere passen dan normaal, om te wennen aan de omzetting van fiets- naar loopbeweging.
  • Houd je tempo in de gaten. Probeer af en toe eens om licht te versnellen om te zien of je niet iets onder je kunnen loopt.
  • Houd je schouders ontspannen, je bent geneigd om wat krampachtiger te lopen naarmate de vermoeidheid toeslaat.